Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-4506 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand van appellant eenmalig verlaagd met € 200,-- omdat appellant, door tijdens een leerwerktraject alcohol te nuttigen, onvoldoende heeft meegewerkt aan een hem in het kader van de WWB aangeboden voorziening. Het College heeft daarbij laten meewegen dat appellant al eerder te kort was geschoten in het naleven van WWB-verplichtingen. De Raad is van oordeel dat appellant had kunnen en moeten begrijpen dat alcohol nuttigen tijdens het re-integratietraject geen algemeen geaccepteerd gedrag is. Als gevolg van het gedrag van appellant is het re-integratietraject met hem direct beëindigd. Van deze handelwijze van appellant kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat appellant een alcoholprobleem heeft en een andere visie heeft op het gebruik van alcohol op de werkvloer is daarvoor onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4506 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2008, 07/1422

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(hierna: College)

datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op 15 december 2009. Beide partijen zijn met bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Volgens een rapportageoverzicht van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) heeft [naam re-integratiebedrijf], het re-integratiebedrijf waarbij appellant in 2004 was aangemeld voor het volgen van een re-integratietraject, de DWI op 22 februari 2005 laten weten dat appellant niet wordt geplaatst in verband met intimiderend gedrag en het niet meewerken aan het desbetreffende traject.

1.3. In een gesprek met appellant op 7 juli 2006 heeft de DWI kenbaar gemaakt dat appellant opnieuw bij [naam re-integratiebedrijf] zal worden aangemeld voor het volgen van een

re-integratietraject en - onder verwijzing naar zijn destijds door [naam re-integratiebedrijf] als intimiderend ervaren gedrag - dat een niet goedlopend traject hem geld kan kosten. Op diezelfde dag heeft appellant een trajectplan ondertekend met als doel dat hij met begeleiding en andere voorzieningen in staat is betaald werk te vinden, ter realisatie waarvan hij wordt aangemeld bij [naam re-integratiebedrijf].

1.4. Appellant is vervolgens geplaatst op een leerwerktraject bij [W] B.V., op welk bedrijf hij op 5 september 2006 is begonnen. Vervolgens heeft op 7 augustus 2006 een intakegesprek met appellant plaatsgevonden bij [W] B.V., waar appellant was geplaatst voor het volgen van een leerwerktraject. Volgens een rapportage van dit bedrijf van 5 september 2006 - op die datum is appellant bij dat bedrijf begonnen - heeft appellant tijdens dat gesprek onder meer laten weten dat hij niet gemotiveerd is een traject te volgen. De rapportage vermeldt voorts het volgende:

“Eind van de dag kreeg ik van een werkmeester een klacht. Dhr [appellant] bleek alcohol en softdrugs op het werk genuttigd te hebben. Dit kunnen wij natuurlijk niet toestaan. Met name omdat dit de verkeerde indruk geeft aan al onze andere deelnemers en natuurlijk voor de veiligheid van zichzelf en anderen. Op 5 september 2006 is er contact hierover opgenomen met [naam klantmanager], klantmanager bij DWI, en is overeengekomen dat dhr wordt teruggemeld.”

1.5. Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het College de bijstand van appellant eenmalig verlaagd met € 200,-- op de grond dat appellant, door op 5 september 2006 bij

[W] B.V. alcohol te nuttigen, onvoldoende heeft meegewerkt aan een hem in het kader van de WWB aangeboden voorziening. Het College heeft daarbij laten meewegen dat appellant al eerder te kort was geschoten in het naleven van

WWB-verplichtingen en heeft in dit verband gewezen op de terugmelding door [naam re-integratiebedrijf] in (februari) 2005. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 20 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de door de gemeenteraad van Amsterdam vastgestelde Afstemmingsverordening WWB (hierna: Afstemmingsverordening), voor zover van belang, is bepaald dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het College ernstig is tekort geschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB wordt aangeboden.

4.4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening houdt het College bij zijn oordeel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende.

4.5. Artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het College de verlaging lager kan vaststellen als de belanghebbende door de afstemming met het bedrag genoemd in artikel 2, eerste lid, onredelijk zwaar wordt getroffen.

4.6. Niet in geschil is dat het leerwerktraject bij [W] B.V. waarop appellant was geplaatst gericht is op moeilijk bemiddelbare personen als appellant. Evenals de rechtbank ziet de Raad dan ook geen reden om aan te nemen dat dit re-integratietraject voor appellant niet passend was. De door appellant gestelde omstandigheid dat het leerwerktraject niet zijn achterliggende problematiek van alcohol en drugs aanpakt maakt dit niet anders.

4.7. Vaststaat dat appellant op de eerste dag van het door hem te volgen

re-integratietraject alcohol (bier) had meegenomen en ook heeft genuttigd op het bedrijf waar hij was geplaatst. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant had kunnen en moeten begrijpen dat dit geen algemeen geaccepteerd gedrag is. Verder had appellant, gelet op het met hem gevoerde gesprek op 7 juli 2006, zich moeten realiseren dat het traject bij [W] B.V. goed moest verlopen en dat het nuttigen van alcoholische drank op de werkvloer op de eerste dag van het traject daar niet bij past. Als gevolg van het gedrag van appellant is het re-integratietraject met hem direct beëindigd. Van deze handelwijze van appellant kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat appellant een alcoholprobleem heeft en een andere visie heeft op het gebruik van alcohol op de werkvloer is daarvoor onvoldoende.

4.8. Uit hetgeen is overwogen onder 4.7 vloeit voort dat het College ingevolge artikel

18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Afstemmingsverordening te verlagen. De hoogte van de verlaging is in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaald op € 200,--.

4.9. In hetgeen appellant heeft aangevoerd over zijn alcoholprobleem en zijn daaraan onderliggende problemen, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging lager vast te stellen. In dit verband is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College bij het opleggen van de maatregel het afblazen van het re-integratietraject door [naam re-integratiebedrijf] in februari 2005 heeft mogen laten meewegen, zodat voor het opleggen van een lagere maatregel te minder aanleiding bestond.

4.10. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

SB