Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-6917 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ANW-uitkering. Terugvordering. Besluit door rechtbank verneitigd. Nu de Sociale verzekeringsbank (appellant) het eerst ter zitting in hoger beroep, een deugdelijke motivering heeft gegeven en de herziening niet meer betwist wordt, ziet de Raad voldoende aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6917 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2008, 07/4437 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.J.S. Houtackers, advocaat te Mierlo, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal. Namens betrokkene zijn verschenen mr. Houtackers, voornoemd, en W. Schut.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft vanaf juni 2004 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ontvangen van appellant. Tevens heeft hij van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) in 2006 een uitkering krachtens de Ziektewet (Zw) ontvangen tot 23 oktober 2006 en vanaf die datum een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft appellant de aan betrokkene toegekende ANW-uitkering over het tijdvak van januari 2006 tot en met januari 2007 herzien en nader vastgesteld op in dat besluit vermelde bedragen. Bij brief van dezelfde datum heeft appellant medegedeeld voornemens te zijn de te veel betaalde uitkering over voornoemd tijdvak ad € 1.149,92 van betrokkene terug te vorderen. Op verzoek van betrokkene heeft appellant vervolgens een specificatie van de te veel betaalde uitkering toegezonden.

1.3. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 februari 2007, maar namens hem is wel diverse keren gevraagd naar een toelichting op de herziening.

1.4. Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft appellant de ANW-uitkering van betrokkene over het tijdvak van januari 2006 tot en met oktober 2006 wederom herzien. Daarbij is het inkomen in verband met arbeid van betrokkene in dat tijdvak nader vastgesteld op lagere bedragen, leidend tot een hoger recht op ANW-uitkering. Bij brief van dezelfde datum heeft appellant medegedeeld dat recht bestaat op een nabetaling van € 786,45.

Dit bedrag is verrekend met de nog openstaande vordering van € 1.149,92, zodat het restant van de vordering op betrokkene € 363,47 bedroeg.

1.5. Bij beslissing van 22 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Namens betrokkene is in beroep, evenals in de bezwaarfase, aangevoerd - kort samengevat - dat de herzieningen van de ANW-uitkering onvoldoende zijn gemotiveerd en dat het betrokkene niet duidelijk is waarom hij te veel uitkering heeft ontvangen, terwijl er feitelijk niets in zijn situatie is veranderd.

2. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering. Daarbij is overwogen dat appellant op geen enkele manier heeft verklaard welke wijzigingen in de inkomsten van betrokkene hebben geleid tot de herziening en hoe deze inkomsten rekenkundig zijn verwerkt. Voorts heeft de rechtbank het primaire besluit van 8 augustus 2007 herroepen, omdat de handelwijze van appellant zo zeer indruist tegen de eisen van zorgvuldigheid, motivering en goede rechtsbescherming dat hij niet langer bevoegd moet worden geacht de ANW-uitkering van betrokkene over de periode van januari tot en met oktober 2006 te herzien.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de grondslag voor en de berekening van de herziening voldoende blijkt uit de verschillende gedingstukken. Voorts is aangevoerd dat het de rechtbank niet vrij staat appellant te verbieden om een nieuw besluit te nemen over de herziening van de ANW-uitkering van betrokkene over het in geschil zijnde tijdvak. Zo’n verbod gaat volgens appellant de bevoegdheid van de rechtbank te boven en is in strijd met artikel 34 van de ANW.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering. Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat appellant, naar aanleiding van de in bezwaar namens betrokkene gestelde onduidelijkheid over de berekening van de herziening, geen adequate toelichting heeft verstrekt op de wijze waarop de herziening is berekend. Weliswaar heeft appellant in algemene zin in het bestreden besluit toegelicht op welke onderdelen de berekening van de uitkering is gewijzigd, maar een duidelijke toelichting op de berekening is niet verstrekt, zodat voor betrokkene niet of nauwelijks controleerbaar was of de herziening juist was. Evenmin was voor betrokkene op grond van die toelichting controleerbaar of de gestelde nabetaling, voortvloeiend uit de herziening juist was. In zoverre is derhalve sprake van een ontoereikende motivering, zodat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.

4.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant een uitgebreide toelichting gegeven op de berekening van de herziening van de ANW-uitkering gedurende het tijdvak van januari tot en met oktober 2006 en op de vaststelling van de nabetaling ad € 786,45. Vervolgens is namens betrokkene medegedeeld dat de berekening van de herziening en van de nabetaling inmiddels voldoende is toegelicht en dat daartegen geen bezwaren (meer) bestaan.

4.3. Nu appellant, zij het eerst ter zitting in hoger beroep, een deugdelijke motivering heeft gegeven en de herziening niet meer betwist wordt, ziet de Raad voldoende aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit reeds voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij is bepaald dat het primaire besluit van 8 augustus 2007 wordt herroepen. De Raad kan en zal derhalve in het midden laten wat er overigens zij van deze herroeping in een situatie als de onderhavige. Ten aanzien van de overweging van de rechtbank, dat appellant niet langer bevoegd moet worden geacht de ANW-uitkering van betrokkene over de periode van januari tot en met oktober 2006 te herzien, merkt de Raad ten slotte op dat deze beperking van de herziening van de ANW-uitkering in strijd is met artikel 34 van de ANW. Op grond van deze bepaling is appellant immers verplicht de uitkering - met terugwerkende kracht - te herzien als daarvoor aanleiding bestaat.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep deels slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het primaire besluit van 8 augustus 2007 is herroepen. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door appellant aan de griffier van de Raad, nu aan betrokkene een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het primaire besluit van

8 augustus 2007 is herroepen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

RB