Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-669 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand van appellant vanaf 1 januari 2007 met 50 % verlaagd voor de duur van twee maanden omdat appellant onvoldoende had meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de WWB. Geen objectieve medische gegevens dat appellant aan zodanige medische klachten leed dat van hem niet gevergd kon worden zijn werkzaamheden bij Paswerk voort te zetten. Van de appellant verweten gedraging kan niet gezegd worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft betoogd dat deze verlaging hem en zijn gezin onder het door internationale verdragen gegarandeerde bestaansminimum brengt en dat het College daardoor het gezinsleven van appellant en zijn gezin onmogelijk maakt. Het beroep van appellant op diverse verdragsbepalingen (EVRM, ESH, IVRK en IVESCR) slaagt niet. Naar het oordeel van de Raad kan in redelijkheid niet worden gezegd dat de opgelegde maatregel geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen betrokken bij de afstemming van bijstand en de particuliere belangen van appellant. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt dan ook niet.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/79
JWWB 2010, 70
NJB 2010, 464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/669 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 december 2007, 07-3299 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 17 december 2004 is hem meegedeeld dat met ingang van 1 januari 2005 alle verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, in het bijzonder de verplichtingen neergelegd in artikel 9, eerste lid, van de WWB, op hem van toepassing zijn.

1.2. In opdracht van het College heeft Aob Compaz een arbeidsgeschiktheidsonderzoek ingesteld ten aanzien van appellant. Daarbij is een medisch onderzoek verricht door een bedrijfsarts. Volgens de daarbij opgestelde lijst van functionele mogelijkheden had appellant een aantal lichte tot forse beperkingen ten aanzien van statische houdingen en dynamische handelingen. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat appellant lichamelijk gezien belastbaar is voor lichte arbeid, dat hij niet teveel kan tillen of te lang kan staan, dat er geen structurele urenbeperking is op medische gronden, en dat appellant akkoord gaat met deze diagnose. Aob Compaz heeft op grond van dit onderzoek geconcludeerd dat appellant weliswaar structurele functionele beperkingen heeft, doch hiermee fulltime kan deelnemen aan een traject richting reguliere arbeid.

1.3. Het College heeft op basis van dit onderzoek vastgesteld dat appellant behoort tot de doelgroep van Paswerk. Appellant is hiermee akkoord gegaan. Paswerk heeft op 7 september 2006 na een intakegesprek met appellant geadviseerd dat appellant, omdat hij ruim 17 jaar niet meer gewerkt had, niet volledig aan de slag te laten gaan, maar te beginnen met een diagnosefase van zes weken, waarbij hij een zogenoemde M.A.S.T.-test krijgt. Het College heeft deze voorziening aan appellant aangeboden. Appellant is op 2 oktober 2006 met deze diagnosefase begonnen, waarbij appellant halve dagen werkte.

1.4. Op 17 oktober 2006 heeft de werkleiding van Paswerk met appellant gesproken over urenuitbreiding. Appellant maakte daarbij tegenover Paswerk voor het eerst melding van pijn in zijn schouders en rug. Op verzoek van appellant heeft Paswerk een afspraak gemaakt met de bedrijfsarts. Op 18 oktober 2006 heeft appellants dochter hem ziek gemeld omdat hij last had van schouders en rug. De verzuimbegeleidster heeft op die dag appellant niet thuis getroffen. De wel aanwezige dochter kon niet vertellen waar haar vader was. Nadien heeft appellant aan de verzuimbegeleidster meegedeeld dat hij naar de moskee was en dat hij last had van zijn rug en niet kon werken. Paswerk heeft vervolgens het traject beëindigd. Daarbij is gerapporteerd dat appellant veel weerstand had tegen het geleidelijk uitbreiden van zijn uren en zich vervolgens ziek had gemeld, en dat daarbij de indruk was ontstaan dat appellant zijn klachten gebruikt om niet volledig te hoeven werken.

1.5. Bij brief van 27 november 2006 heeft het College appellant opgeroepen voor een gesprek om te beoordelen of de voortijdige beëindiging van het traject bij Paswerk appellant te verwijten was. Daarbij is hem gevraagd eventuele bewijsstukken omtrent zijn medische situatie mee te nemen. Tijdens dit gesprek heeft appellant verklaard geen medicijnen te gebruiken in verband met zijn schouder- en rugklachten, en niet daarover recent een arts te hebben geraadpleegd. Wel laat appellant eenmaal per jaar zijn rug masseren. De laatste keer was dat in augustus 2006. Verder deelde appellant mee dat enige tijd geleden foto’s van zijn rug zijn gemaakt in het ziekenhuis. Hij kon daaromtrent geen namen van specialisten noemen en ook geen afspraakkaart of doorverwijzing van de huisarts tonen. Evenmin kon hij iets over de uitslag van dat onderzoek vertellen. Hij had hierover niets meer gehoord en er ook zelf niet naar gevraagd.

1.6. Bij besluit van 7 december 2006 heeft het College de bijstand van appellant vanaf 1 januari 2007 met 50 % verlaagd voor de duur van twee maanden op de grond dat appellant onvoldoende had meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de WWB.

1.7. Bij besluit van 7 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij aangevoerd dat hem vanwege zijn ziekte geen verwijt kan worden gemaakt van de voortijdige beëindiging van het traject bij Paswerk. Hij heeft in dit verband betoogd dat het College onvoldoende onderzocht heeft of appellant daadwerkelijk arbeidsongeschikt was, en dat het aan het College is om het tegendeel te bewijzen. Verder betoogt hij dat de maatregel ertoe leidt dat hij en zijn gezin onder het bestaansminimum komen en dat dit in strijd is met verdragsrechtelijke bepalingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. Ingevolge de artikelen 2, eerste lid, 9, tweede lid, en 10, vierde lid, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Haarlem kan het College aan een betrokkene die niet of onvoldoende meewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit geleid heeft tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening, de bijstand verlagen met 100 % gedurende één maand. Artikel 2, tweede lid, van deze verordening bepaalt - voor zover hier van belang - dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belangenhebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 6, derde lid, van deze verordening bepaalt dat het College kan afzien van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het traject bij Paswerk een door het College aangeboden voorziening was gericht op arbeidsinschakeling en dat deze voorziening voortijdig is beëindigd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant wegens gestelde arbeidsongeschiktheid daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de bewijslast, dat appellant geen verwijt treft, op hem rust en niet op het College. Appellant dient dus aannemelijk te maken dat hij op 18 oktober 2006 door lichamelijke klachten aan rug en armen zodanig arbeidsongeschikt was dat hij in het geheel niet meer aan de aangeboden voorziening kon meewerken.

4.5. Vaststaat dat appellant voorafgaande aan het traject bij Paswerk lichamelijke klachten had die hem beperkten wat betreft de aard van de te verrichten werkzaamheden, maar niet wat de duur van de op te dragen werkzaamheden aangaat. Voorts staat vast dat van het diagnosetraject van zes weken er slechts twee verstreken waren, dat appellant eerst lichamelijke klachten heeft gemeld toen urenuitbreiding ter sprake werd gebracht, en dat Paswerk in verband hiermee voor hem een afspraak heeft gemaakt met de bedrijfsarts. Hieruit kan niet worden afgeleid, en dat is ook niet gesteld, dat appellant al voor dit gesprek niet meer in staat was om het traject voor halve dagen voort te zetten. Dat van appellant op 18 oktober 2006 verwacht werd al voor meer dan halve dagen deel te nemen aan dit traject is evenmin gesteld of gebleken. Ten slotte staat vast dat de door appellant ondervonden lichamelijke klachten hem op 18 oktober 2006 niet verhinderden zijn woning te verlaten voor moskeebezoek.

4.6. Bij die stand van zaken lag het op de weg van appellant om, daartoe door het College uitgenodigd in het zogenoemde afstemmingsgesprek, overtuigend en met objectieve medische gegevens aan te tonen dat hij op 18 oktober 2006 aan zodanige medische klachten leed dat van hem niet gevergd kon worden zijn werkzaamheden bij Paswerk voort te zetten. Appellant is daarin naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. Uit het onder 1.5 bedoelde gesprek komt immers naar voren dat geen enkele recente medische diagnose of behandeling ten aanzien van deze klachten heeft plaatsgevonden. Daarom was, anders dan appellant betoogt, het College niet gehouden nader onderzoek te doen naar de arbeidsongeschiktheid van appellant of een medisch onderzoek te laten verrichten, in het bijzonder omdat in hetgeen appellant naar voren had gebracht daarvoor ieder concreet aanknopingspunt ontbrak. De grief dat het besluit tot oplegging van de maatregel onzorgvuldig is voorbereid slaagt dan ook niet.

4.7. Hieruit volgt dat van de appellant verweten gedraging niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het College was daarom op grond van de onder 4.1 tot en met 4.3 genoemde bepalingen gehouden de bijstand met 100 % gedurende één maand te verlagen en bevoegd deze af te stemmen op de gezinssituatie van appellant door voor de duur van twee maanden een verlaging van 50 % toe te passen.

4.8. Appellant heeft betoogd dat deze verlaging hem en zijn gezin onder het door internationale verdragen gegarandeerde bestaansminimum brengt en dat het College daardoor het gezinsleven van appellant en zijn gezin onmogelijk maakt. Als grondslag voor dit betoog heeft appellant een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de artikelen 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (herzien) (ESH (herzien)) en de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR).

4.9. Het beroep van appellant op deze verdragsbepalingen slaagt niet. De Raad heeft reeds in eerdere uitspraken overwogen (zie onder meer de uitspraak van 18 juni 2004, LJN AP4680 en recentelijk de uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776) dat de door appellant in dit geding aangehaalde bepalingen van het ESH en het IVESCR niet een ieder kunnen verbinden in de zin van artikel 94 van de Grondwet (Gw). Bij deze vaststelling zijn zowel de bewoordingen als de strekking van deze bepalingen in aanmerking genomen alsmede hetgeen ter zake in algemene zin in de Memorie van Toelichting bij de wetten tot goedkeuring van deze verdragen is opgemerkt. De Raad ziet in hetgeen namens appellant met betrekking tot bedoelde verdragsbepalingen is aangevoerd, waaronder de verwijzing naar artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (Het Verdrag van Maastricht), het Weens Verdragenverdrag, de Concluding observations van het Committee on Economic, Social and Cultural Rights van de Verenigde Naties van 16 juni 1998 en 24 november 2006 en de Voluntary pledges and committments on human rights van de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de Verenigde Naties aan de Voorzitter van de Algemene vergadering van de Verenigde Naties van 23 februari 2007, onvoldoende basis om een afwijkend standpunt in te nemen in die zin dat die bepalingen thans wel als een ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van artikel 94 van de Gw moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is in genoemde verdragsartikelen sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen. Datzelfde geldt voor het beroep van appellant op het IVRK, zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 9 oktober 2006, LJN AY9940, heeft overwogen. Bovendien betreft de onderhavige maatregel geen beslissing betreffende kinderen maar ziet deze op gezinsbijstand, terwijl uit artikel 27, tweede lid, van dat verdrag voortvloeit dat niet het College, maar appellant en zijn echtgenote als ouders als eerste verantwoordelijk zijn voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

4.10. Ook het beroep van appellant op artikel 8 van het EVRM moet falen. De Raad stelt onder verwijzing naar zijn uitspraken van 22 december 2008, LJN BG8776 en BG8789 voorop dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privé-leven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt. De Raad is van oordeel dat de maatregel in geding, die een verlaging inhoudt van 50 % gedurende twee maanden, appellant en zijn gezin weliswaar beperkt in de ontwikkeling van hun persoon in relatie tot anderen, maar slechts in bescheiden mate en gedurende een korte periode. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de maatregel onevenredig nadelige gevolgen heeft voor die ontwikkeling. Naar het oordeel van de Raad kan onder die omstandigheden in redelijkheid niet worden gezegd dat de opgelegde maatregel geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen betrokken bij de afstemming van bijstand en de particuliere belangen van appellant. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt dan ook niet.

4.11. Het voorgaande voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

SB