Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-3649 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag, primair op de grond van ongeschiktheid voor de verdere vervulling van de betrekking anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken, en subsidiair op de grond dat het belang van de gemeente dringend eist dat appellante haar betrekking op andere wijze vervult. Passende vergoeding. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur aan appellante een uitkering als hiervoor bedoeld, dat wil zeggen een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering, heeft gegarandeerd. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur de kosten gedragen van een outplacement traject en van externe begeleiding. De Raad overweegt dat de gedingstukken geen steun bieden aan het oordeel dat de dienstleiding en in het bijzonder de direct leidinggevende van appellante een overwegend aandeel hebben gehad in het ontstaan én voortbestaan van de verstoorde werkverhouding. Voor een verdergaande financiële compensatie, zoals de door appellante gevorderde vergoeding van kosten van juridische bijstand, acht de Raad daarom geen termen aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3649 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2008, 07/754 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel [naam stadsdeel] van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 21 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Appellante is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door T.H.S.P. de Jonge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is met ingang van 1 april 2002 aangesteld in de functie van beleids-medewerker bij de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van het stadsdeel [naam stadsdeel] van de gemeente Amsterdam. In de loop van 2003 zijn tussen appellante en haar direct leidinggevende fricties ontstaan. In een gesprek op 28 juni 2004 is aan appellante meegedeeld dat zij “niet langer op haar functie kan blijven zitten” als gevolg van de verstoorde relatie met haar leidinggevende. Daarna is een periode van arbeids-ongeschiktheid gevolgd, was er een outplacementtraject dat is begeleid door een extern bureau, een detachering van 1 februari 2005 tot 1 oktober 2005, en begeleiding door een externe deskundige.

1.2. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het dagelijks bestuur appellante met ingang van 14 augustus 2006 ontslag verleend, primair op de grond van ongeschiktheid voor de verdere vervulling van de betrekking anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken, en subsidiair op de grond dat het belang van de gemeente dringend eist dat appellante haar betrekking op andere wijze vervult. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit is bij het bestreden besluit, verzonden op 22 januari 2007, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen vaststaat dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat er geen goed werkbare situatie meer mogelijk was. De rechtbank heeft uitgaande van de subsidiaire ontslaggrond overwogen dat appellante, gelet op alle omstandigheden van het ontslag en de duur van het dienst-verband, een passende vergoeding heeft ontvangen die bestaat uit - naast outplacement - een wachtgelduitkering en een extra vergoeding ingevolge het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA).

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar een passende vergoeding is toegekend.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het ontslag van appellante is gebaseerd op artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA, te weten dat het belang van de gemeente dringend eist dat appellante haar betrekking op een andere wijze vervult.

4.2. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 mei 2008, LJN BD3361 en TAR 2009, 2) brengt het beginsel van een behoorlijke belangenafweging mee dat een ontslagverlening zoals hier aan de orde, in het algemeen gepaard dient te gaan met toekenning van een aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering die ten minste gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen, berekend op basis van de Werkloosheidswet (WW) en de regeling(en) inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Het bestuursorgaan kan tot een verdergaande financiële regeling zijn gehouden dan het garanderen van die minimum aanspraak indien het een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag aanleiding heeft gegeven.

4.3. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur aan appellante een uitkering als hiervoor bedoeld, dat wil zeggen een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering, heeft gegarandeerd. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur de kosten gedragen van een outplacement traject en van externe begeleiding. De Raad overweegt dat de gedingstukken geen steun bieden aan het oordeel dat de dienstleiding en in het bijzonder de direct leidinggevende van appellante een overwegend aandeel hebben gehad in het ontstaan én voortbestaan van de verstoorde werkverhouding. Voor een verdergaande financiële compensatie, zoals de door appellante gevorderde vergoeding van kosten van juridische bijstand, acht de Raad daarom geen termen aanwezig.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th.Wolleswinkel en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD