Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-4519 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag mobiliteitstoeslag. Begrip dienstbelang. Ingevolge de laatste zinsnede van artikel 22c van het BBRA bestaat geen aanspraak op de mobiliteitstoeslag, indien als gevolg van de plaatsing in de nieuwe functie een salarisverhoging wordt toegekend. Doorgaans zal het ook zo zijn dat de datum waarop de nieuwe functie wordt opgedragen samenvalt met de datum waarop de bij die functie behorende werkzaamheden daadwerkelijk aanvangen. De Raad is van oordeel dat in een bijzonder geval als dit, waarin het daadwerkelijk kunnen gaan vervullen van de nieuwe functie afhankelijk is van het met succes afronden van een daaraan voorafgaande voltijdse opleiding, het tijdstip waarop de functie feitelijk gaat worden vervuld, kan worden aangemerkt als het tijdstip waarop de functiewisseling, waarop artikel 22c van het BBRA ziet, plaatsvindt. Nu appellant een salarisverhoging ontving vanaf het moment dat hem de werkzaamheden in groepsfunctie F volledig werden opgedragen en hij op deze wijze voor zijn mobiliteit werd beloond, kan hij op grond van artikel 22c van het BBRA daarnaast geen recht op de mobiliteitstoeslag doen gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/62

Uitspraak

08/4519 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 juni 2008, 07/8248, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 14 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en G.P.P.M. Baert. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Danhuis, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst als behandelfunctionaris in groepsfunctie E bij de Douane [regio 1] met als plaats van tewerkstelling Schiphol. In 2006 heeft hij gesolliciteerd naar de functie van behandelfunctionaris in groepsfunctie F bij de Belastingdienst/[regio 2]. Met ingang van 1 november 2006 is hij met toepassing van artikel 57, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ook in die functie aangesteld. Alvorens appellant daadwerkelijk werkzaamheden in deze functie is gaan verrichten, heeft hij eerst de daarvoor noodzakelijke interne opleiding voltooid. In verband met deze overgang naar een andere groepsfunctie is door de staatssecretaris bepaald dat inschaling van appellant in de bij de groepsfunctie F behorende salarisschaal met de daarbij behorende salarisverhoging plaatsvindt per de eerste van de maand volgend op die waarin de opleiding succesvol is afgerond. In overeenstemming hiermee is het salaris van appellant na het voltooien van de opleiding met ingang van 1 april 2008 verhoogd.

1.2. Bij brief van 4 maart 2007 heeft appellant een verzoek ingediend om hem op grond van artikel 22c van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) en hoofdstuk 4, onderdeel 1.9.2 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belasting-dienst (RPVB) een mobiliteitstoeslag toe te kennen. Bij het bestreden besluit van

18 september 2007 heeft de staatssecretaris de afwijzing van dit verzoek in bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet voldaan is aan het vereiste dat het dienstbelang is gebaat bij plaatsing van appellant in juist de functie van behandelfunctionaris F.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 22c van het BBRA heeft de ambtenaar, aan wie op grond van artikel 57, eerste lid en tweede lid, onder b, van het ARAR een andere functie wordt opgedragen, waarbij het belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere functie, recht op een mobiliteitstoeslag, tenzij zijn salaris met ingang van de datum waarop de andere functie wordt opgedragen om die reden wordt verhoogd.

3.2. Gelet op de nota van toelichting op dit artikel (Staatsblad 2001, 99) en de nadere uitwerking daarvan in het RPVB is de Raad van oordeel dat het begrip dienstbelang niet zo beperkt moet worden uitgelegd als door de staatssecretaris is betoogd en door de rechtbank is onderschreven. Uit de tekst van in het bijzonder het RPVB volgt dat een overplaatsing op grond van artikel 57, eerste lid en tweede lid, onder b, van het ARAR in beginsel aanspraak geeft op de mobiliteitstoeslag, mits niet een van de in punt 2 van onderdeel 1.9.2 omschreven situaties aan de orde is. Het gaat er in essentie om, zoals het RPVB ook aangeeft, dat het functioneren van de organisatie door de plaatsing in de nieuwe functie is gebaat. In de situatie van appellant is dit onmiskenbaar het geval; immers, door de plaatsing van appellant werd een vacante functie in groepsfunctie F vervuld en niet kan worden ontkend dat daar een dienstbelang mee was gemoeid. Dat de werving van nieuwe medewerkers in groepsfunctie F zou leiden tot aanstelling van ambtenaren, die voorheen in groepsfunctie E werkzaam waren waardoor vervolgens in groepsfunctie E vacatures zouden ontstaan, doet aan dat dienstbelang onvoldoende af. Uit de omstandigheid dat de werving van nieuwe F-functionarissen ook is opengesteld voor interne kandidaten kan worden afgeleid dat het belang van de organisatie om voldoende F-functionarissen te kunnen aantrekken zwaarder woog dan het eventueel vrij komen van functies in groepsfunctie E.

4. Door de staatssecretaris is aangevoerd dat appellant na het volgen van de opleiding en vanaf het moment van het daadwerkelijk opdragen van de functie is ingeschaald in de bij de groepsfunctie behorende salarisschaal en dat hij een salarisverhoging heeft ontvangen, zodat om die reden niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 22c van het BBRA. De Raad volgt de staatssecretaris in die opvatting.

4.1. Ingevolge de laatste zinsnede van artikel 22c van het BBRA bestaat geen aanspraak op de mobiliteitstoeslag, indien als gevolg van de plaatsing in de nieuwe functie een salarisverhoging wordt toegekend. Doorgaans zal het ook zo zijn dat de datum waarop de nieuwe functie wordt opgedragen samenvalt met de datum waarop de bij die functie behorende werkzaamheden daadwerkelijk aanvangen. De Raad is van oordeel dat in een bijzonder geval als dit, waarin het daadwerkelijk kunnen gaan vervullen van de nieuwe functie afhankelijk is van het met succes afronden van een daaraan voorafgaande voltijdse opleiding, het tijdstip waarop de functie feitelijk gaat worden vervuld, kan worden aangemerkt als het tijdstip waarop de functiewisseling, waarop artikel 22c van het BBRA ziet, plaatsvindt. Nu appellant een salarisverhoging ontving vanaf het moment dat hem de werkzaamheden in groepsfunctie F volledig werden opgedragen en hij op deze wijze voor zijn mobiliteit werd beloond, kan hij op grond van artikel 22c van het BBRA daarnaast geen recht op de mobiliteitstoeslag doen gelden. De omstandigheid dat appellant, zoals hij heeft gesteld, in het verleden bij een of meer eerdere functiewisselingen wel een mobiliteitstoeslag heeft ontvangen, doet aan de juistheid van deze conclusie niet af.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD