Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-4098 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om appellant de kwalificatie FL met ingang van 4 februari 2003 weer toe te kennen. De herstelde beoordeling inzake het ontbreken van de kwalificatie F, omdat appellant niet heeft voldaan aan de opleidingseisen, is rechtens onaantastbaar geworden. Daarom strekt het verzoek van appellant van 26 april 2006, ertoe dat de commandant van die beoordeling terugkomt. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de commandant de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Rechtbank heeft onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak kan - zij het met verbetering van de gronden - worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4098 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juni 2008, 07/7780, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Luchtstrijdkrachten als rechtsopvolger van de Commandant Vliegbasis Soesterberg (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 14 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend dat later is aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door A.A.J. Verstappen, werkzaam bij de Vakbond voor Defensiepersoneel VMB/NOV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot en luitenant-kolonel E.R. Ruizendaal, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was in de rang van kapitein helikoptervlieger bij de Koninklijke luchtmacht. Met ingang van 1 augustus 2006 is zijn dienstverband geëindigd.

1.2. Bij een vliegerbeoordeling van 13 september 2005 is appellant met ingang van 4 februari 2003 de kwalificatie Flightlead (hierna: FL) toegekend. Dit heeft geleid tot een besluit van 3 oktober 2005, waarbij hem een vliegtoelage is verleend.

De toekenning van de kwalificatie FL is vervolgens bij een herstelde beoordeling, eveneens gedateerd op 13 september 2005, ongedaan gemaakt. Van deze beoordeling heeft appellant, die intussen naar Afghanistan was uitgezonden, bij fax van 24 oktober 2005 een exemplaar ontvangen.

1.3. In aansluiting daarop is bij besluit van 9 november 2005 het besluit van 3 oktober 2005 ingetrokken omdat appellant de opleiding van FL niet geheel had afgerond; deze brief is op 6 maart 2006 hier te lande aan appellant overhandigd. De intussen betaalbaar gestelde vliegtoelage ten bedrage van ongeveer € 6.000 bruto is op het salaris van appellant over november 2005 ingehouden.

1.4. Appellant heeft in de periode van 27 maart tot en met 13 april 2006 als S3Air voor TH squadrons aan de oefening Falcon Integration deelgenomen. Volgens afspraak met de commandant van de toenmalige (in juli 2008 opgeheven) vliegbasis Soesterberg (hierna: commandant vlb) zou appellant tijdens die oefening als S3Air fungeren, daarbij als flightleader worden ingezet en als zodanig worden beoordeeld ten einde alsnog naar het verleden de kwalificatie FL te krijgen. Toen dit na afloop van de oefening niet werd gerealiseerd, heeft appellant bij e-mailbericht van 26 april 2006 en bij brieven van 18 juli 2006 en 25 augustus 2006 de commandant vlb verzocht hem de kwalificatie FL met ingang van 4 februari 2003 weer toe te kennen.

1.5. Bij besluit van 19 april 2007 is dat verzoek afgewezen, onder overweging dat appellant niet aan de opleidingseisen voor de kwalificatie FL heeft voldaan. Na bezwaar is deze afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 september 2007.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Na te hebben vastgesteld dat appellant tegen de herstelde beoordeling van 13 september 2005 geen bezwaar heeft gemaakt, heeft de rechtbank geoordeeld dat de commandant in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen aan appellant de kwalificatie FL niet toe te kennen omdat appellant niet over het volgens paragraaf 2.4.1. van de VOBKLU (11e herziene uitgave) vereiste opleidingsrapport luchtvarende beschikt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant tegen de herstelde beoordeling geen bezwaar heeft gemaakt. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellant dit evenmin heeft gedaan tegen de salarisspecificatie van november 2005 en de brief van 9 november 2005 die hem op 6 maart 2006 is overhandigd.

Uit deze gang van zaken volgt dat de genoemde herstelde beoordeling inzake het ontbreken van de kwalificatie F, omdat appellant niet heeft voldaan aan de opleidingseisen, rechtens onaantastbaar is geworden.

Daarom strekt het verzoek van appellant van 26 april 2006, zoals daarna herhaald, ertoe dat de commandant van die beoordeling terugkomt. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de commandant de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

3.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan een ter zake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De administratieve rechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.3. De Raad stelt vast dat de rechtbank, hoewel zij ervan is uitgegaan dat de herstelde beoordeling van 13 september 2005 rechtens onaantastbaar is geworden, het bestreden besluit niet kenbaar en ook niet op juiste wijze heeft beoordeeld aan de hand van de onder 3.2 omschreven toetsingsmaatstaf. De Raad zal de aangevallen uitspraak op dit onderdeel dan ook verbeteren en voorts zijn oordeel aan de hand van die maatstaf vormen.

3.4. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant in hoofdzaak argumenten naar voren gebracht die de vermeende onjuistheid van het oorspronkelijke besluit betreffen. Dit zijn argumenten die in het kader van een (tijdig) bezwaar tegen de herstelde beoordeling van 13 september 2005 hadden kunnen worden aangevoerd. Dit geldt dus ook voor het in hoger beroep gestelde argument van appellant, dat de herstelde beoordeling valt onder de gelding van de VOBKLU, 10e herziene uitgave, die aan de toekenning van de kwalificatie FL niet in de weg zou staan, welk argument de commandant in het aanvullend verweerschrift overigens gemotiveerd heeft betwist.

Het gaat hierbij dan ook niet om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bedoeld.

3.5. Appellant heeft voorts gewezen op zijn deelname aan de oefening Falcon Integration als onder rechtsoverweging 1.4 nader is vermeld. Hij heeft hierbij gesteld dat hij het doel van zijn deelname aan deze oefening, namelijk het alsnog verkrijgen van de kwalificatie FL, wel heeft gehaald en dat hem die kwalificatie daarom, zoals de commandant vlb had voorgesteld, met terugwerkende kracht toekomt.

Met inachtneming hiervan heeft naar het oordeel van de Raad de deelname van appellant aan de oefening op zichzelf het karakter van nieuwe feiten of veranderde omstandig-heden.

Deze dwongen de commandant echter niet tot een ander besluit. De Raad acht hiertoe doorslaggevend dat, naar zijn oordeel, de commandant ter zitting van de rechtbank voldoende heeft toegelicht dat appellant tijdens de oefening ten gevolge van niet voorziene oefenomstandigheden te weinig taken als flightleader heeft kunnen verrichten en dat het feit dat appellant vervolgens de dienst heeft verlaten ertoe heeft geleid dat een volgende beoordelingsgelegenheid zich niet heeft voorgedaan. In hoger beroep heeft appellant op dit punt zijn betoog in beroep enkel herhaald en dit niet met nadere gegevens onderbouwd.

3.6. Gelet op hetgeen onder rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 is overwogen, kan de Raad niet oordelen dat de commandant niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak kan - zij het met verbetering van de gronden - worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD