Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-5097 AW, 09-5076 AW en 09-5077 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Ontslag uit functie bij belastingdienst. Plichtsverzuim door over de jaren 2003 tot en met 2005 belastingaangiften van schoonouders te verzorgen waarvan appellant wist dan wel kon en moest weten dat die aangiften onjuist dan wel onvolledig waren. De latere ontkenning van verklaringen door appellant heeft ook de Raad niet ervan kunnen overtuigen dat deze verklaringen door de verslaglegger verzonnen zijn en niet tot uitgangspunt kunnen worden genomen. De opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag is niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5097 AW, 09/5076 AW en 09/5077 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2008, 07/3981, (hierna: aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 juli 2009, 08/3227 en 08/3228, (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 21 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar de zaken gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Voor appellant is verschenen mr. J.A.J. Saman, advocaat te Bergen op Zoom. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 8 december 2009 de Raad verzocht het onderzoek ter zitting op 10 december 2009 aan te houden, omdat appellant wegens medische klachten niet ter zitting aanwezig kan zijn. In de eerste plaats wenst appellant aanwezig te zijn vanwege zijn recht op hoor en wederhoor. Ook acht appellant zijn aanwezigheid noodzakelijk om vragen van de Raad te kunnen beantwoorden.

De Raad wijst het verzoek af. Hij stelt eerst vast dat appellant niet op grond van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zitting is opgeroepen om in persoon te verschijnen. Voorts geldt dat het effectueren van het recht van hoor en wederhoor in dit geval de aanwezigheid ter zitting van appellant niet vereist, nu zijn gemachtigde ter zitting aanwezig was en van dit recht gebruik heeft gemaakt. Ten slotte is de Raad ter zitting niet gebleken van vragen die de aanwezigheid ter zitting van appellant alsnog noodzakelijk maken.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar beide aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was werkzaam als groepsfunctionaris C bij de Belastingdienst/ [regio].

2.2. In een gesprek met twee leidinggevenden op 6 oktober 2006 is appellant geconfron-teerd met de bevindingen van een administratieve controle bij [naam bedrijf]. Gebleken was dat zijn schoonouders in de jaren 2003 tot en met 2005 thuis stekwerkzaamheden hadden verricht voor [naam bedrijf]. en daaruit inkomsten hadden verworven die niet in belastingaan-giften over elk van die jaren waren verantwoord. Ook was uit mededelingen van zijn schoonmoeder gebleken dat appellant die aangiften had verzorgd. Appellant heeft één en ander erkend. Van het gesprek is een verslag opgemaakt dat beide leidinggevenden hebben ondertekend.

2.3. Bij besluit van 19 april 2007 is appellant op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met onmiddellijke ingang geschorst en is hem tevens op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR de toegang tot de gebouwen van de Belastingdienst ontzegd. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 17 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.4. Op 20 september 2007 is aan appellant het voornemen bekendgemaakt dat hij wegens plichtsverzuim zal worden ontslagen. Bij besluit ook van 20 september 2007 is appellant op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR geschorst en is bepaald dat op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR zijn bezoldiging zal worden ingehouden.

2.5. Bij besluit van 26 november 2007 is appellant op grond van de artikelen 50, 80 en artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR met ingang van 28 november 2007 ontslag verleend. Overwogen is dat appellant plichtsverzuim heeft begaan door over de jaren 2003 tot en met 2005 belastingaangiften te hebben verzorgd waarvan hij wist dan wel kon en moest weten dat die aangiften onjuist dan wel onvolledig waren.

2.6. Bij besluit van 19 juni 2008 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar van appellant tegen het onder 2.4 genoemde besluit van 20 september 2007 ongegrond verklaard. Ook bij besluit van 19 juni 2008 (hierna: bestreden besluit 3) is het bezwaar van appellant tegen het onder 2.5 genoemde ontslagbesluit ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen het onder 2.3 vermelde bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft zij de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat uit verklaringen van appellant was gebleken dat hij de belastingaangiften van zijn schoon-ouders over de jaren 2003 tot en met 2005 bewust onjuist heeft ingevuld en dat de staatssecretaris daarom bevoegd was beide toegepaste ordemaatregelen te treffen.

In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat de schorsing kan standhouden nu aan appellant het voornemen tot onvoorwaardelijk ontslag was meegedeeld en dat de staatssecretaris bevoegd was tot het inhouden van bezoldiging omdat appellant ten gevolge van de schorsing geen werkzaamheden kon verrichten. Inzake het ontslag heeft de rechtbank de juistheid van het verslag van het gesprek op 6 oktober 2006 tot uitgangspunt genomen. De latere ontkenning door appellant van die vastgelegde verklaringen heeft de rechtbank niet geloofwaardig geacht. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellant blijkens dat verslag gedurende de jaren 2003 tot en met 2005 de belastingaangiften van zijn schoonouders bewust onjuist heeft ingevuld, hetgeen plichtsverzuim oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank was de staatssecretaris dan ook bevoegd tot het treffen van een disciplinaire maatregel. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad inzake de eis van integriteit van belasting-ambtenaren (onder andere CRvB 31 juli 2008, LJN BD9714 en TAR 2009,40), heeft de rechtbank ten slotte geoordeeld dat de opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim.

4. De Raad stelt vast dat appellant in beide hoger beroepen heeft volstaan met verwijzing naar hetgeen hij in beroep met enkele verwijzing naar de respectieve bezwaarschriften had aangevoerd.

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft overwogen. De Raad verwijst naar deze overwegingen en maakt deze tot de zijne.

Wat namens appellant ter zitting is aangevoerd geeft de Raad aanleiding nog het volgende te overwegen.

4.1. Evenals de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 en de staatssecretaris acht de Raad de verklaringen die appellant blijkens het verslag in het gesprek op 6 oktober 2006 heeft afgelegd van doorslaggevende betekenis. De latere ontkenning van die verklaringen door appellant heeft ook de Raad niet ervan kunnen overtuigen dat deze verklaringen door de verslaglegger verzonnen zijn en niet tot uitgangspunt kunnen worden genomen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat die verklaringen zodanig gedetailleerd zijn dat geen andere persoon dan appellant de bron daarvan kan zijn geweest. Zo heeft hij de stekwerk-zaamheden ter sprake gebracht, waarvan hij overigens moet hebben geweten dat werk-geefster E, van wie hij de gegenereerde inkomsten van zijn schoonmoeder in de diverse belastingaangiften wel had verwerkt, het soort bedrijf niet had waarvoor die specifieke werkzaamheden verricht konden worden. Hierbij komt dat appellant ook tijdens de hoorzitting op 17 oktober 2007 heeft verklaard dat hij in 2003 van zijn schoonmoeder had vernomen dat zij stekwerkzaamheden verrichtte en voor de omvang van de verdiensten een jaaropgaaf zou vragen. Vaststaat dat appellant zonder over de jaaropgaven van [naam bedrijf]. te beschikken, de belastingaangiften heeft verzorgd en deze later niet heeft gecorrigeerd.

5. De hoger beroepen slagen niet. Beide aangevallen uitspraken dienen dan ook te worden bevestigd.

6. De Raad zal ook de in hoger beroep gedane verzoeken om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb afwijzen, nu daartoe in geen van de zaken gronden bestaan.

7. Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken;

Wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2010.

(get.) J.G.Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD