Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-4563 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Beoordelingsperiode. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 60

Uitspraak

08/4563 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juni 2008, 07/5474 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld door mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Breewel-Witteveen, en het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J. Mertens, werkzaam bij de gemeente Woensdrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds eind 1999, naast een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en een Belgisch rustpensioen, (aanvullende) bijstand van de gemeente Woensdrecht, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar en ouder.

1.2. In het kader van een zogenoemd ”campingproject” van de Sociale verzekeringsbank (SVB) te Breda heeft medio 2006 een onderzoek plaatsgevonden op camping [naam camping, adres] te Putte. Het vermoeden bestond dat appellant aldaar zou samenwonen met de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Naar aanleiding hiervan is door de sociale recherche van de SVB een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dit kader zijn zowel appellant als [betrokkene] op 13 juni 2006 verhoord. Bij die gelegenheid hebben zij beiden verklaard dat zij sinds 18 september 2001 op genoemd adres samenwonen. Naar aanleiding hiervan is ook door de sociale recherche van de gemeente Bergen op Zoom een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dit kader hebben appellant en [betrokkene] opnieuw verklaard sinds laatstgenoemde datum op genoemd adres samen te wonen. Per 6 juni 2005 hebben appellant en [betrokkene] gezamenlijk een woning gehuurd aan [het adres]. Beiden staan vanaf 9 juni 2005 ingeschreven op dit adres.

1.3. Bij besluit van 15 december 2006 is de aan appellant verleende bijstand over de periode van 18 september 2001 tot 1 september 2006 herzien (lees: ingetrokken), op de grond dat appellant gedurende genoemde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene] en dat appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het College. Tevens zijn daarbij de gemaakte kosten van bijstand over genoemde periode tot een bedrag van € 13.674,43 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 december 2006 ongegrond verklaard, voor zover betrekking hebbend op de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 en gegrond verklaard, voor zover betrekking hebbend op de periode van 9 juni 2005 tot 1 september 2006. Hierbij is vermeld dat dit betekent dat het College het besluit van 15 december 2006, voor zover dat betrekking heeft op laatstgenoemde periode, herziet en de bijstand per 1 september 2006 beëindigt (lees: intrekt) wegens het voeren van een gezamenlijke uitkering (lees: gezamenlijke huishouding).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) stelt de Raad allereerst vast dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening of intrekking van het recht op bijstand en tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over te gaan, en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

4.2. De Raad stelt voorts vast dat thans voorligt de intrekking van de bijstand over de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005, alsmede de intrekking van de bijstand per 1 september 2006. De Raad constateert vervolgens dat het College de intrekking per 1 september 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 en de periode van 1 september 2006 tot en met 15 december 2006.

4.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw)en (vanaf 1 januari 2004) artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt - voor zover hier van belang - als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van het derde lid, van artikel 3 van de Abw en de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant en [betrokkene] gedurende de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 in dezelfde woning (caravan) woonden zodat aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de Abw en de WWB, het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning, is voldaan. Voor de vraag of gedurende genoemde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is derhalve bepalend of voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen appellant en [betrokkene] die verder ging dan het uitsluitend delen van de woonlasten en daarmee samenhangende lasten. Buiten de financiële verstrengeling kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat appellant en [betrokkene] in elkaars verzorging voorzagen. De Raad stelt daarbij voorop dat bij de afweging van alle ten aanzien van de leefsituatie van appellant en [betrokkene] gebleken feiten en omstandigheden de aard en het motief van de relatie tussen beiden en de eigen - op een subjectieve beleving gebaseerde - waardering van hun leefsituatie buiten beschouwing dienen te blijven.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat gedurende de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. Daarbij verenigt de Raad zich met de door de rechtbank genoemde feitelijke omstandigheden met betrekking tot het doen en betalen van de gezamenlijke boodschappen, de verdeling van de huishoudelijke taken, het gedurende (een deel van) de onderhavige periode door appellant betalen van de vergoeding voor [betrokkene] voor het ingeschreven staan op een bepaald (post)adres, alsmede het gezamenlijk gebruik maken van aan [betrokkene] in eigendom toebehorende duurzame gebruiksgoederen.

4.6. Gelet op het vorenstaande heeft de Raad met de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat hier sprake is geweest van een kostgangersrelatie dan wel van twee gescheiden huishoudens. De situatie waarin appellant zich met [betrokkene] in genoemde periode bevond, duidt naar het oordeel van de Raad op een mate van verbondenheid, verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar die de grenzen van een zuiver zakelijke kostgangersrelatie overschrijdt. De gestelde door [betrokkene] gedane betalingen ter zake van kostgeld moeten binnen deze context als een bijdrage in de kosten van de huishouding worden aangemerkt.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat gedurende de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw en de WWB. Dit betekent dat appellant gedurende deze periode niet kon worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand. Nu niet is gebleken dat de woon- en leefsituatie van appellant na de datum van verhoor op 13 juni 2006 is gewijzigd, geldt het vorenstaande eveneens voor de periode van 1 september 2006 tot en met 15 december 2006. Dit betekent dat appellant gedurende deze periode evenmin als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd. Hieruit vloeit voort dat appellant gedurende de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 en vanaf 1 september 2006 geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar en ouder.

4.8. Voor zover het gaat om de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005, heeft appellant van die gezamenlijke huishouding aan het College geen mededeling gedaan. Hierdoor heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht ingevolge de artikelen 65, eerste lid, van de Abw en 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Als gevolg hiervan is aan appellant over genoemde periode ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over deze periode. Voor zover het gaat om de periode van 1 september 2006 tot en met 15 december 2006, is appellant eveneens ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2006. Ten aanzien van beide in geding zijnde intrekkingen heeft het College gehandeld in overeenstemming met de ter zake van toepassing zijnde beleidsregels.

4.9. In hetgeen namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van de beleidsregels had moeten afwijken.

De Raad merkt hierbij op dat appellant zijn stelling dat de gemeente, in de persoon van mevrouw Malinka, op de hoogte zou zijn van de relatie tussen appellant en [betrokkene], op geen enkele wijze heeft aangetoond dan wel aannemelijk heeft gemaakt.

5.1. De Raad overweegt ten aanzien van de terugvordering het volgende.

5.2. Gelet op artikel 60, eerste lid, van de WWB moet (onder meer) het terug te vorderen bedrag worden beschouwd als een essentieel onderdeel van een terugvorderingsbesluit.

De Raad merkt in dit verband - ambtshalve oordelend - op dat het College met het besluit van 15 oktober 2007 geen eindbeslissing heeft gegeven over de terugvordering, maar heeft volstaan met een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar en de mededeling dat het besluit tot terugvordering wordt herzien, zonder daarbij het (resterende) bedrag te noemen dat van appellant wordt teruggevorderd. Dat met betrekking tot de hoogte van de terug te vorderen bijstand nog een nader besluit zal moeten volgen, leidt er toe dat in getrapte vorm op het bezwaar is beslist. Gelet hierop acht de Raad het besluit van 15 oktober 2007, voor zover betrekking hebbend op de terugvordering, in strijd met de in artikel 7:11, eerste en tweede lid, van de Awb neergelegde verplichtingen tot volledige heroverweging van het bezwaar en tot het, voor zover nodig, nemen van een nieuw besluit.

5.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 15 oktober 2007, voor zover betrekking hebbend op de terugvordering, wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb vernietigen.

5.4. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8;72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en - overeenkomstig de door de gemachtigde van het College ter zitting gegeven berekening die door appellant niet is betwist - te bepalen dat van appellant een bedrag van € 10.884,22 wordt teruggevorderd. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat, gelet op het onder 4.8 en 4.9 overwogene, aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 18 september 2001 tot 9 juni 2005 ad € 10.884,22 van appellant terug te vorderen.

6. De Raad ziet voorts aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Daarnaast komen de reiskosten in hoger beroep ad € 33,30 op basis van openbaar vervoer 2e klasse voor vergoeding in aanmerking. Voor een vergoeding van reiskosten in beroep bestaat geen aanleiding omdat appellant niet ter zitting van de rechtbank is verschenen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 oktober 2007, voor zover betrekking hebbend op de terugvordering;

Bepaalt dat van appellant wordt teruggevorderd een bedrag van € 10.884,22;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 322,--;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 677,30, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB