Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
08-2041 WWB + 09-3699 WWB + 09-3700 WWB + 09-4707 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Beoordeling aan de hand van objectieve criteria. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen behoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2041 WWB + 09/3699 WWB + 09/3700 WWB + 09/4707 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante), wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 21 februari 2008, 07/542, (hierna: uitspraak 1) en 27 mei 2009, 08/289 en 08/1242 (hierna: uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.M. Demmer, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Demmer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sinds 1 oktober 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Voorheen woonde zij samen met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), de vader van twee van haar kinderen.

1.2. Bij besluit van 17 november 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2006 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.3. Vervolgens heeft het College bij besluit van 3 april 2007 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 november 2006 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat uit onderzoek door de Sociale Recherche Twente - waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 6 november 2006 - is gebleken, dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft verzwegen dat zij in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene] en om die reden niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd met als gevolg dat zij geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Vervolgens heeft het College bij besluit van 2 juli 2007 de bijstand van appellante over de periodes van 6 februari 2001 tot en met 30 juli 2004 en van 3 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2006 ingetrokken. Tevens heeft het College de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 74.906,79 van appellante teruggevorderd.

3.1. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft ook aan dat besluit ten grondslag gelegd dat appellante heeft verzwegen dat zij in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene].

4. Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 29 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 6 februari 2001 tot 1 juli 2001 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning, met uitzondering van de periode van 6 februari 2001 tot 1 juli 2001.

5. Ter uitvoering van uitspraak 2 heeft het College op 23 juni 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de bijstand van appellante over de periodes van 1 juli 2001 tot en met 30 juli 2004 en van 3 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2006 is ingetrokken en de kosten van bijstand over die periodes tot een bedrag van € 70.469,53 van appellante zijn teruggevorderd.

6. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, zodat zij wel recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het hoger beroep tegen uitspraak 2 is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de besluitvorming inzake de bijstand van appellante waar het gaat om de periode(s) vanaf 1 juli 2001 op een toereikende grondslag berust.

7. De Raad komt, zich beperkend tot de onderwerpen van geschil, tot de volgende beoordeling.

7.1. De Raad stelt voorop dat het besluit van 23 juni 2009 is aan te merken als een besluit dat met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hier mede ter beoordeling voorligt.

7.2. Aangezien uit de relatie van appellante en [betrokkene] kinderen zijn geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet respectievelijk van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [betrokkene] gedurende de periodes in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

7.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

7.4. Appellante en [betrokkene] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Volgens vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Uitspraak 1

7.5. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante en [betrokkene] gedurende de in dit geding te beoordelen periode - welke loopt van 1 september 2006 tot en met 17 november 2006 - hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Ook de Raad acht voor dit oordeel de - ruim dertig - observaties bij de woning van appellante in juli en augustus 2006, de door appellante en [betrokkene] op 20 september 2006 respectievelijk 3 oktober 2006 afgelegde verklaringen en de verklaringen van buren van belang. Uit de observaties volgt dat [betrokkene] het merendeel van de tijd in de woning van appellante doorbracht. De verklaring van appellante dat zij uitsluitend een relatie met [betrokkene] onderhoudt ten behoeve van de kinderen en de verklaring van [betrokkene] dat hij in de periode hier van belang vaak in haar woning verbleef in verband met ziekte van de kinderen kunnen, gelet op hetgeen in de laatste zin van 7.3 is overwogen, niet tot een ander oordeel leiden.

Uitspraak 2

7.6. De Raad volgt de rechtbank eveneens in haar oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante en [betrokkene] in de periodes van 1 juli 2001 tot en met 30 juli 2004 en van 3 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2006 hun hoofdverblijf hadden in de flatwoning van appellante. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Met de rechtbank hecht de Raad mede betekenis aan de verklaringen van drie buren, die - ook ten tijde hier in geding - in dezelfde flat woonden. Deze getuigen hebben verklaard dat [betrokkene] bij appellante en de kinderen woont en dat zij hem vaak hebben waargenomen op het balkon van haar woning of in de galerij van de flat. De twee naaste buren hebben verklaard dat de flat gehorig is en dat zij - het gezin waaronder - [betrokkene] regelmatig hebben gehoord. Bij een eerder onderzoek van de sociale recherche in juli 2005 zijn persoonlijke spullen van [betrokkene] - waaronder administratie, medicijnen en kleren - aangetroffen in de woning van appellante en is gebleken dat hij niet woonachtig was op het destijds door hem opgegeven adres. Het door appellante aangevoerde motief voor haar relatie met [betrokkene] kan gelet op hetgeen hieromtrent in 7.5 is overwogen ook in dit geding niet tot een ander oordeel leiden.

Slotoverwegingen

7.7. Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante en [betrokkene] in de in geding zijnde periodes een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante, dat appellante door hiervan geen mededeling te doen haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat haar als gevolg daarvan ten onrechte bijstand is verleend als zelfstandig rechtssubject naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het College was dan ook bevoegd de verleende bijstand in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

7.8. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen. Uitspraak 1 komt voor bevestiging in aanmerking. Voor uitspraak 2 geldt, voor zover hier aangevochten, hetzelfde. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het College met het besluit van 23 juni 2009 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan uitspraak 2. Het beroep tegen dit besluit wordt daarom ongegrond verklaard.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt uitspraak 1;

Bevestigt uitspraak 2 voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

DW