Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
09-2254 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2254 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 maart 2009, 08/728

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van 3 juni 2009 van J. Langius, bezwaararbeidsdeskundige, met bijlagen.

Nadien heeft voormelde gemachtigde op 17 november 2009 een schrijven van de partner van appellante ingezonden.

Het Uwv heeft op 3 december 2009 rapporten van G.W. Egbers, bezwaarverzekeringsarts, en J. Langius, voornoemd, in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2009. Appellante, haar partner en bovengenoemde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster is op 7 april 1995 uitgevallen met pijnklachten aan nek, schouder en armen. Appellante werd na ommekomst van de wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht door het Uwv en een uitkering geweigerd. In verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid is haar per 30 april 1998 een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2007 besloten de WAO-uitkering van appellante ingaande 28 mei 2007 te herzien naar een percentage van 35 tot 45%. Daaraan ligt verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag. Naar aanleiding van het namens appellante tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts Egbers, voornoemd, rapport uitgebracht; hij heeft de bij appellante aanwezige beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 januari 2008. De bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot heeft vervolgens aanleiding gezien opnieuw voor appellante geschikte functies te selecteren, waarmee het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd 35 tot 45% bleef. In diens rapport van 30 januari 2008 heeft hij de bij deze functies voorkomende signaleringen toegelicht. Omdat het om een nieuwe functieduiding ging, heeft het Uwv besloten de herziening naar voormeld percentage eerst per een in de toekomst gelegen datum, per 16 april 2008 te doen ingaan. De gemachtigde van appellante is bij brief van 15 februari 2008 van een en ander op de hoogte gesteld en heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Bij besluit van 25 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante per 16 april 2008 herzien naar voormeld percentage.

2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij onder meer gesteld dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Daartoe heeft zij gewezen op een rapport van de zenuwarts J.M.E. van Zantvoort van 5 januari 2004, een brief van haar behandelend revalidatie-arts van 14 april 2004 en een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 juni 2004, 03/1415, waarin haar beroep tegen een eerdere herziening van haar WAO-uitkering, onder meer op grond van genoemd rapport van Van Zantvoort, gegrond is verklaard. Tevens heeft zij arbeidskundige bezwaren tegen de geduide functies naar voren gebracht.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, onder meer, overwogen, dat de medische basis van het bestreden besluit voldoende deugdelijk is: de eerder door Van Zantvoort aangegeven beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn in voldoende mate terug te vinden in de FML van 29 januari 2008, welke de basis vormt voor de schatting die aan de orde is. Uit een in een eerdere FML opgenomen toelichting (op grond van hetgeen Van Zantvoort had gesteld) volgt slechts dat een zekere voorkeur bestaat voor meer solitaire functies, maar niet dat appellante daar uitsluitend op is aangewezen. Evenmin volgt daaruit dat zij in het geheel niet zou kunnen samenwerken. De arbeidskundige basis van het besluit is, volgens de rechtbank, ook op het punt van het vereiste handelingstempo, voldoende gemotiveerd.

4. In hoger beroep zijn namens appellante voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald. Tevens zijn de arbeidskundige bezwaren tegen het bestreden besluit nader toegelicht.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan, met de rechtbank, de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Dat appellante destijds onder meer op grond van een rapport van de zenuwarts Van Zantvoort uit januari 2004 volledig arbeidsongeschikt is geacht, laat onverlet dat het Uwv naar aanleiding van veranderde (medische) inzichten en inmiddels gewijzigde regelgeving gerechtigd is om een nieuwe FML op te stellen, op basis van een andere inschatting van de ernst van de bij appellante bestaande beperkingen. Daarbij wijst de Raad erop, dat in de FML van 29 januari 2008 - in feite - het overgrote deel van de door Van Zantvoort aangegeven beperkingen zijn overgenomen en dat door de bezwaarverzekeringsarts Egbers in zijn rapport van 29 januari 2008 voldoende is gemotiveerd waarom deze niet in zijn geheel zijn overgenomen. Met recht is er door de rechtbank op gewezen, dat Van Zantvoort op reumatologisch gebied geen specifieke deskundigheid bezit. Dat sprake zou zijn van tegenstrijdige medische oordelen, zoals appellante stelt (en dus van strijd met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit), volgt de Raad niet: zowel het eerder bedoeld rapport van Van Zantvoort als de in het vervolg daarop opgestelde FML uit september 2004 dateren van voor de wijziging van bedoeld Schattingsbesluit en betreffen een datum gelegen vier jaar voor de hier in geding zijnde datum. Recente medische gegevens of rapporten die een ander licht kunnen werpen op de medische situatie op de hier aan de orde zijnde de datum 16 april 2008, zijn niet in het geding gebracht. Gelet op het voorgaande ziet de Raad dan ook geen aanleiding een medisch deskundige om nader advies te vragen.

5.4. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad onderschrijven. De bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen zijn door de bezwaararbeidsdeskundige De Groot, voornoemd, in zijn rapport van 30 januari 2008, gelezen in samenhang met de in hoger beroep door Langius, voornoemd, gegeven nadere verduidelijking, voldoende toegelicht. Daarbij merkt de Raad nog op, dat het bij de functie van houtwarensamensteller vereiste “technisch inzicht” gerelateerd moet worden aan het niveau van de functie en dat niet valt in te zien dat appellante gezien haar opleidingsniveau de in de functie vereiste vrij eenvoudige handelingen, eventueel na instructie, niet zou kunnen verrichten. Ook ten aanzien van enkele andere functies acht de Raad voldoende toegelicht dat appellante op het aspect van het handelingstempo niet wordt overbelast.

5.5. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.

(get.) J. Riphagen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM