Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
09-5705 WAO + 09-5752 WAO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv de bezwaarschriften, welke niet-aangetekend waren verstuurd, binnen de bezwaartermijn heeft ontvangen. Niet aannemelijk geworden, zoals verzoeker stelt, dat de oproeping voor zitting hem niet heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5705 WAO + 09/5752WAO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, en artikel 21 van de Beroepswet, naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 september 2009, 09/9230,

(hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten. Bij een drietal besluiten van 15 oktober 2008 heeft het Uwv achtereenvolgens beslist dat verzoekers uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in verband met inkomsten uit arbeid gedurende de periode van 1 december 2005 tot en met 31 december 2005 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, dat verzoekers WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 2006 niet tot uitbetaling komt en dat als gevolg van deze wijzigingen onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 december 2005 tot 1 oktober 2008 ten bedrage van € 81.555,20 van verzoeker wordt teruggevorderd. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het Uwv de bezwaren van verzoeker tegen de besluiten van 15 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard wegens - niet verschoonbaar te achten -termijnoverschrijding.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv heeft gesteld dat hij de eerste bezwaarschriften van verzoeker heeft ontvangen op 30 maart 2009, derhalve buiten de in artikel 6:9 van de Awb gestelde bezwaartermijn. Verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv zijn bezwaarschriften, welke niet-aangetekend waren verstuurd, binnen de bezwaartermijn heeft ontvangen. Voorts is, aldus de rechtbank, gesteld noch gebleken dat verzoeker niet in de gelegenheid was tijdig bezwaarschriften in te dienen.

4. Verzoeker heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat hij nimmer een oproep voor de zitting bij de rechtbank op 7 september 2009 heeft ontvangen. Daarnaast handhaaft verzoeker zijn standpunt dat hij de bezwaarschriften tegen de besluiten van 15 oktober 2008 binnen de bezwaartermijn van zes weken heeft verstuurd naar het Uwv.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter in de eerste plaats vast dat verzoeker bij aangetekende brief van 11 augustus 2009 is opgeroepen voor een zitting bij de rechtbank op 7 september 2009. Deze brief is aan het juiste adres van verzoeker verstuurd. In het licht hiervan is het niet aannemelijk geworden, zoals verzoeker stelt, dat de oproeping hem niet heeft bereikt. Voor zover verzoeker om hem moverende redenen - verzoeker heeft in dit verband aangegeven dat hij nog niet alle stukken van het Uwv had gekregen die hij nodig achtte om bij de rechtbank adequaat verweer te kunnen voeren - heeft besloten om niet ter zitting te verschijnen, komt dit voor zijn rekening en risico.

5.2. Wat betreft het oordeel van de rechtbank over de niet-ontvankelijk verklaring van de bezwaarschriften van verzoeker verenigt de voorzieningenrechter zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Verzoeker stelt dat hij de bezwaarschriften eerder heeft ingediend, maar is er - ook in hoger beroep - niet in geslaagd dit aannemelijk te maken. Daarbij geldt dat het niet of te laat ontvangen van de bezwaarschriften door het Uwv voor risico van verzoeker komt, nu hij de bezwaarschriften niet-aangetekend heeft verstuurd. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat de eerste bezwaarschriften van verzoeker door het Uwv pas op 30 maart 2009 zijn ontvangen. Dit is buiten de geldende bezwaartermijn van zes weken. Ten aanzien van een na afloop van de geldende termijn ingediend bezwaarschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Aan de voorzieningenrechter is, evenmin als aan de rechtbank, kunnen blijken van een grond om de termijnoverschrijding door verzoeker verschoonbaar te achten.

6. Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak en ook overigens geen grond bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, wordt het verzoek daartoe afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

29 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM