Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
08-1940 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid. Te beoordelen periode 15 oktober 2003 tot 13 april 2005. De Raad volgt het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige. De Raad acht van belang dat de deskundige, nadat de Raad (alsnog) de van de zijde van appellant op zijn rapport geuite kritiek ter becommentariering aan hem had voorgelegd, gemotiveerd bij zijn eerdere conclusies is gebleven. De Raad acht voorts van belang dat de deskundige expliciet in zijn rapport van 23 juli 2007 heeft aangegeven dat tijdens het psychiatrisch onderzoek met betrekking tot het gehoor van appellant geen belemmeringen in de communicatie zijn geconstateerd voor wat betreft eventueel aanwezige hardhorendheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1940 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2008, 06/6376 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft een vraagstelling voorgelegd aan psychiater R. Thomassen, die door de rechtbank als deskundige was geraadpleegd. Bij schrijven van 6 april 2009 heeft psychiater Thomassen deze vraagstelling beantwoord.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft het Uwv tevens door de Raad opgevraagde stukken ingezonden.

Namens appellant is informatie van 14 juli 2009 ingebracht van i-psy, interculturele psychiatrie.

Van de zijde van het Uwv is daarop gereageerd met een rapport, gedateerd 22 juli 2009, van bezwaarverzekeringsarts M. Keus.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2009. Voor appellant is, zoals tevoren was bericht, verschenen mr. A.B.B. Beelaard, kantoorgenoot van mr. Timmer. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 2 augustus 1999 wegens maag- en rugklachten uitgevallen als ijzervlechter. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Uit een ter voorbereiding van het desbetreffende toekenningsbesluit opgesteld verzekeringsgeneeskundig rapport van 20 november 2000 komt naar voren dat appellant, die ook klachten van psychische aard had, geschikt is bevonden om in een maximum omvang van halve dagen per week gestructureerde werkzaamheden in een stressarme omgeving te verrichten.

1.2. Op 17 september 2003 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten. Bij besluit van 1 juli 2004 is ophoging van appellants WAO-uitkering geweigerd, onder overweging dat uit medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat zijn arbeidsongeschiktheid na 17 september 2003 niet is toegenomen en, voor het geval dat anders zou zijn, geen periode is aan te wijzen waarin die toename vier weken heeft geduurd. In ieder geval is appellant op 15 oktober 2003,

zijnde vier weken na de ziekmelding, onveranderd voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt.

1.3. Het tegen het besluit van 1 juli 2004 gemaakte bezwaar is wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 31 januari 2005. Laatstgenoemd besluit is in beroep in stand gebleven.

1.4. Appellant heeft zich met een schrijven van 9 februari 2005 tot het Uwv gewend, welk schrijven mede is opgevat als een - hernieuwd - verzoek om ophoging van zijn uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts is op grond van het ingestelde onderzoek, waarvan deel uitmaakte het inwinnen van informatie bij het psycho-medisch centrum Parnassia, tot de conclusie gekomen dat de beperkingen die waren neergelegd in de aan het besluit van 1 juli 2004 ten grondslag liggende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 maart 2004, nog ongewijzigd van kracht waren. Die beperkingen zijn vervolgens vastgelegd in een FML van 13 april 2005.

2.1. Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het Uwv geweigerd de uitkering van appellant te verhogen, om reden dat er geen toegenomen beperkingen zijn en appellant onverminderd in staat wordt geacht passende werkzaamheden te verrichten.

2.2. Bij besluit van 11 november 2005 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank van 30 juni 2006 is het tegen het besluit van 11 november 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aan het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank was van oordeel dat het medisch onderzoek ondeugdelijk en onvolledig is geweest.

2.3. Het Uwv heeft in die uitspraak berust. Bezwaarverzekeringsarts A. Mirza heeft nader onderzoek ingesteld. Blijkens een daarvan opgesteld rapport van 20 juli 2006 kon naar het oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts de medische onderbouwing van het besluit van 6 juni 2005 geheel worden gehandhaafd. Hierop is bij besluit van 27 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) vastgesteld dat appellant onveranderd blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65%, hetgeen in feite betekent dat het bezwaar van appellant andermaal ongegrond is verklaard.

3. De rechtbank heeft, naar reeds is vermeld in rubriek I, ten behoeve van haar oordeelsvorming psychiater Thomassen verzocht van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft zich kunnen verenigen met de beperkingen die door de verzekeringsartsen zijn vastgelegd in de FML van 29 maart 2004. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu deskundige Thomassen heeft geconcludeerd dat de beperkingen van appellant voldoende tot uiting komen in de FML van 29 maart 2004 en voorts zijn rapport geen aanknopingspunten bevat dat sinds die datum een periode van vier weken is aan te wijzen waarin sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, er geen grond is om het standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. De opmerking van de deskundige dat het opstarten van werkzaamheden appellant uit zijn evenwicht kan brengen, maar dat werkzaamheden op langere termijn stabiliserend kunnen werken en dagstructuur geven, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om te concluderen dat er meer beperkingen dienen te worden aangenomen dan wel dat appellant in het geheel niet in staat is om arbeid te verrichten.

4. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt in essentie erop neer dat hij het oneens is met de diagnose die de deskundige heeft gesteld en - in het bijzonder - met de daaraan verbonden conclusies ten aanzien van zijn beperkingen en resterende arbeidsmogelijkheden. Voorts handhaaft appellant de opvatting dat hetgeen de deskundige opmerkt over het opstarten van werkzaamheden, onderstreept dat hij niet kan werken dan wel in elk geval wijst op de aanwezigheid van meer beperkingen. Ook had zijns inziens nog een aanvullend onderzoek dienen te worden ingesteld inzake zijn gehoorsproblemen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat het bestreden besluit bedoeld is als uitsluitend te zijn genomen op grond van het bepaalde in artikel 39a van de WAO. In dit verband is erop gewezen dat, nadat verzekeringsgeneeskundig onderzoek had uitgewezen dat geen sprake was van een toename van de beperkingen die bij de laatste herbeoordeling in 2004 waren vastgelegd in de FML van 29 maart 2004, bij de voorbereiding van het primaire besluit van 6 juni 2005 is afgezien van het instellen van arbeidskundig onderzoek. Daarbij is tevens aangegeven dat, tegen de achtergrond hiervan, het arbeidskundig onderzoek dat in de bezwaarfase is ingesteld door bezwaararbeidsdeskundige D.J. Gootjes, niet had behoeven c.q. behoren plaats te vinden.

5.3. De Raad zal het bestreden besluit, conform de onder 5.2 weergegeven bedoeling daarvan en gelijk ook de rechtbank heeft gedaan, toetsen als een besluit waarbij met toepassing van artikel 39a van de WAO geweigerd is de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% berekende uitkering van appellant te verhogen, om reden dat geen sprake is van een - ten minste vier weken onafgebroken geduurd hebbende - toename van de beperkingen die aan appellants uitkering ten grondslag liggen.

5.4. Daarbij overweegt de Raad, eveneens onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, voorts dat het tijdvak dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit in aanmerkring heeft genomen, terecht is bepaald op het tijdvak van 15 oktober 2003 tot 13 april 2005. Bij het formele rechtskracht verkregen hebbende besluit van 1 juli 2004 is immers, voor zover hier van belang, vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 oktober 2003 55 tot 65% bedroeg, terwijl op 13 april 2005 het spreekuuronderzoek door de verzekeringsarts plaatsvond.

5.5. Voorts overweegt de Raad als volgt. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad dient het oordeel van een onafhankelijke door de rechter geraadpleegde deskundige te worden gevolgd, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op die regel. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het geval van appellant evenvermelde hoofdregel niet kan worden gevolgd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de deskundige Thomassen een zorgvuldig en voldoende uitgebreid onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidssituatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant ten tijde hier van belang, terwijl zijn conclusies overtuigend zijn onderbouwd. Voorts acht de Raad van belang dat de deskundige, nadat de Raad (alsnog) de van de zijde van appellant op zijn rapport geuite kritiek ter becommentariëring aan hem had voorgelegd, gemotiveerd bij zijn eerdere conclusies is gebleven.

5.6. Inhoudelijk geldt dat de bevindingen en conclusies van deskundige Thomassen ook naar het oordeel van de Raad een bevestiging vormen van de zienswijze van de verzekeringsartsen van het Uwv dat de beperkingen zoals deze voor appellant destijds zijn vastgelegd in de FML van 29 maart 2004, nadien niet in relevante mate zijn toegenomen. Daarbij acht de Raad van belang dat de deskundige expliciet heeft aangegeven zich met die beperkingen te kunnen verenigen, terwijl voorts, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, het rapport van de deskundige geen aanknopingspunten bevat om het ervoor te houden dat in het ter beoordeling voorliggende tijdvak sprake is geweest van een toename van appellants beperkingen gedurende een onafgebroken periode van ten minste vier weken.

5.7. De Raad heeft bij zijn oordeel mede acht geslagen op hetgeen de deskundige in zijn aanvullende rapport van 6 april 2009, ter beantwoording van vragen van de Raad, heeft gesteld in reactie op de stelling van appellant dat de opmerking van de deskundige in het oorspronkelijke rapport inzake het opstarten van werkzaamheden tot de conclusie dient te leiden dat hij in het geheel niet kan werken, althans in elk geval zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen. De deskundige heeft aangegeven dat bij het opstarten van werkzaamheden rekening moet worden gehouden met de beperkingen voortkomend uit de persoonlijkheidsstoornis van appellant. Het verhogen van het activiteitenniveau, onder andere door werkzaamheden, is een belangrijk onderdeel van de begeleiding en behandeling bij persoonlijkheidsstoornissen omdat structurele activiteiten, mits gefaseerd opgebouwd, op termijn invulling geven aan een dagstructuur en stabiliserend werken. De Raad begrijpt deze nadere toelichting aldus dat de betreffende opmerking van de deskundige in het bijzonder ziet op een eventuele re-integratie en begeleiding van appellant naar arbeid, maar niet relevant is te achten voor de ten tijde hier van belang voor appellant in het kader van de WAO van toepassing te achten (arbeids)beperkingen.

5.8. Ook overweegt de Raad nog dat de informatie van i-psy ziet op het tijdvak vanaf 5 juli 2005 en reeds uit dien hoofde niet relevant is te achten voor de beoordeling van de juistheid van het bestreden besluit.

5.9. Ten slotte overweegt de Raad dat hij appellant ook niet volgt in zijn opvatting dat er nader onderzoek had dienen plaats te vinden naar zijn gestelde gehoorsproblemen. In dit verband acht de Raad doorslaggevend dat de deskundige expliciet in zijn rapport van 23 juli 2007 heeft aangegeven dat tijdens het psychiatrisch onderzoek met betrekking tot het gehoor van appellant geen belemmeringen in de communicatie zijn geconstateerd voor wat betreft eventueel aanwezige hardhorendheid.

6. Uit het overwogene onder 5.2 tot en met 5.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR