Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
08/2813 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling AOW-pensioen op 92% van het volledige AOW-pensioen. Evenals de rechtbank kan de Raad uit de door appellant overgelegde stukken niet opmaken dat appellant in de in geding zijnde periode verzekerd moet worden geacht voor de AOW. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Zoals de Raad ook in zijn uitspraak van 17 april 2008 heeft overwogen, dient de bewijsproblematiek voor rekening en risico van appellant te blijven, nu hij in de in geding zijnde periode kennelijk opzettelijk onduidelijkheid heeft laten ontstaan en bestaan over zijn activiteiten en woonplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2813 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2008, 06/1910 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Gulickx voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 juli 1997 is aan appellant met ingang van augustus 1991 88% van het maximale pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Naar aanleiding van een verzoek om herziening van appellant heeft de Svb bij besluit van 27 november 2003 de hoogte van het AOW-pensioen met ingang van maart 2002 nader vastgesteld op 92% van het volledige AOW-pensioen. Hierbij heeft de Svb overwogen dat het AOW-pensioen van appellant wordt gekort met 8% omdat hij in de periode 1 januari 1987 tot en met 11 augustus 1991 niet verzekerd is geweest voor de AOW.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 18 februari 2004 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2003 niet-ontvankelijk geacht. Bij uitspraak van 5 mei 2005 (04/1477) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 februari 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Dit besluit is uiteindelijk genomen op 9 juni 2006 (hierna: bestreden besluit).

1.3. Inmiddels had appellant op 21 april 2004 de Svb verzocht terug te komen van zijn besluit van 27 november 2003. De Svb heeft dit verzoek bij besluit van 18 mei 2004 afgewezen. Bij de beslissing op bezwaar van 25 januari 2005 is het besluit van 18 mei 2004 gehandhaafd. In beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 27 januari 2006 (05/760) op inhoudelijke gronden geoordeeld dat appellant in de in geding zijnde periode niet verzekerd was voor de AOW. Vervolgens heeft in hoger beroep deze Raad zich in zijn uitspraak van 17 april 2008 (LJN BD0240) geheel aangesloten bij de door de rechtbank gebezigde overwegingen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.4. In het thans bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2003 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank allereerst verwezen naar haar eerdere uitspraak van 27 januari 2006 waarin dezelfde rechtsvraag aan de orde was. Met betrekking tot de stukken die door appellant bij zijn beroepschrift zijn overgelegd, heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser.

“Een aantal van de door eiser overgelegde stukken ziet niet op de periode in geding, maar dateert van daarvoor. Voorts is een deel van voornoemde gedingstukken reeds door de rechtbank in meergenoemde uitspraak meegenomen in de beoordeling of eiser verzekerde tijdvakken kan ontlenen aan de AOW in de periode in geding. Ten aanzien het door eiser overgelegde “historiek van de adressen” van het Gemeentebestuur [naam gemeente] overweegt de rechtbank dat hieruit valt op te maken dat eiser kennelijk vanaf 1995 in [naam gemeente] heeft gewoond. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet de conclusie worden getrokken dat eiser in de periode daarvoor in Nederland woonde. Dit geldt eveneens voor het door eiser overgelegde uittreksel uit het bevolkingsregister afgegeven door de burgemeester van [naam gemeente]. Ook uit de overige door eiser overgelegde stukken kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser in de periode in geding ingezetene van Nederland was dan wel dat eiser in Nederland heeft gewerkt”.

Wat betreft het verzoek van appellant om het bij besluit van 27 november 2003 herziene AOW-pensioen eerder te doen ingaan dan met ingang van maart 2002 heeft de rechtbank ten slotte overwogen dat de Svb terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen op grond waarvan zij het ouderdomspensioen met een langere terugwerkende kracht dan een jaar had moeten herzien.

3. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat hij in de periode in geding, 1 januari 1987 tot en met 11 augustus 1991, weliswaar in Duitsland en België heeft gewerkt, maar dat hij voor het overgrote deel zijn werkzaamheden verrichtte in Nederland vanuit zijn woonadres in [plaatsnaam] Hierbij is ook ter zitting van de Raad bevestigd dat appellant zich bewust wat onzichtbaar heeft willen maken voor schuldeisers en dat daarom enkele documenten anders doen vermoeden dan de feitelijke situatie is geweest.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In de onderhavige procedure ligt dezelfde rechtsvraag aan de Raad ter beantwoording voor als in de procedure die heeft geleid tot voornoemde uitspraak van de Raad van 17 april 2008. De Raad heeft in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunten gevonden om thans in andere zin te oordelen dan hij in die uitspraak heeft gedaan. Evenals de rechtbank kan de Raad ook uit de nadien door appellant overgelegde stukken niet opmaken dat appellant in de in geding zijnde periode verzekerd moet worden geacht voor de AOW. De Raad onderschrijft de dienaangaande door de rechtbank gebezigde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Zoals de Raad ook in zijn uitspraak van 17 april 2008 heeft overwogen, dient de bewijsproblematiek voor rekening en risico van appellant te blijven, nu hij in de in geding zijnde periode kennelijk opzettelijk onduidelijkheid heeft laten ontstaan en bestaan over zijn activiteiten en woonplaats.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

mm