Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
09/2909 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Deugdelijkheid medische grondslag vastgesteld in eerdere procedure. Het geding is beperkt tot de gronden, gericht tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2909 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2009, 08/3289 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 7 december 2004 uitgevallen vanuit de functie van schoonmaker in verband met rechterschouderklachten. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant weergegeven op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellant geacht wordt te kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 5 december 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige heeft opnieuw aan de hand van het CBBS functies geselecteerd die appellant geacht wordt te kunnen verrichten en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Bij het besluit van 5 april 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 maart 2008 het beroep tegen het besluit van 5 april 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Voorts is het Uwv veroordeeld in de proceskosten en is bepaald dat het Uwv het griffierecht vergoedt.

3. Bij besluit van 15 juli 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Bij de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2008 is geoordeeld dat het besluit van 5 april 2007 berust op een deugdelijke medische grondslag. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat moet worden uitgegaan van de juistheid van het oordeel in de uitspraak van 25 maart 2008 over de medische beroepsgronden. Appellant stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een vaststaand gegeven is. Hij stelt dat na de uitspraak van 25 maart 2008 een aanvullende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts was vereist.

4.2. Met het Uwv en de rechtbank stelt de Raad vast dat in de uitspraak van 25 maart 2008, de gronden, gericht tegen de medische grondslag van het besluit van 5 april 2007, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. In vaste jurisprudentie van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT0711, is tot uitdrukking gebracht dat in dat geval van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de tweede procedure in beginsel niet opnieuw aan de orde kunnen komen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van nauwe verwevenheid tussen de arbeidskundige en medische grondslag. Door de rechtbank en het Uwv is terecht gewezen op de uitspraken van de Raad van 22 oktober 2008, LJN BG1621, en 13 januari 2009, LJN BH0865, waarin eerder is overwogen dat bij het arbeidskundig onderzoek, in het bijzonder bij de selectie van de aan de schatting ten grondslag te leggen functies, de bij het verzekeringskundig onderzoek vastgestelde FML een vaststaand gegeven is. Met deze jurisprudentie is in overeenstemming dat in gevallen waarin uitsluitend nog arbeidskundige beroepsgronden ter beoordeling voorliggen, de rechterlijke toetsing tot die gronden is beperkt. De Raad concludeert dat het geding is beperkt tot de gronden, gericht tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4.4. In de uitspraak van 25 maart 2008 is geoordeeld dat het besluit van 5 april 2007 in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat geen afdoende toelichting is gegeven op de signaleringen bij de FML-items 4.1.1 (dominantie) en 4.2.1 (localisatie beperkingen). De bezwaararbeidsdeskundige heeft in een rapportage van 21 mei 2008 geconcludeerd dat in de geselecteerde functies op deze items geen overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt. Overwogen is dat in de aan de schatting ten grondslag liggende functies schilder/spuiter, productiemedewerker industrie en gereedschapmaker nauwelijks sprake is van schouderbelasting en geen sprake is van zware hand- of armbelasting. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat alle signaleringen van de voor de schatting gebruikte functies voldoende inzichtelijk zijn besproken. Appellant stelt zich op het standpunt dat de signaleringen onvoldoende inzichtelijk zijn gemotiveerd, hetgeen het Uwv betwist.

4.5. Door appellant is gesteld dat ten onrechte geen aantekeningen van het overleg van de bezwaararbeidsdeskundige met de bezwaarverzekeringsarts zijn overgelegd.

De Raad overweegt dat het protocol “Samenwerking arbeidsdeskundige en verzekeringsarts bij de claimbeoordeling AAW/WAO met het FIS”, waarnaar appellant heeft verwezen, niet meebrengt dat het Uwv gehouden was het overleg in een kort verslag - zoals genoemd in de toelichting bij dat protocol - vast te stellen. In de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige is vermeld dat overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden en is de uitkomst van het overleg weergegeven. De Raad is van oordeel dat deze verslaglegging zorgvuldig en voldoende inzichtelijk is.

4.6. Naar het oordeel van de Raad is de stelling van appellant dat hij niet in staat is tot de vereiste nauwkeurige sturing bij solderen, niet in overeenstemming met de op de FML weergegeven belastbaarheid waarin geen beperking is opgenomen voor hand- en vingergebruik. Hiervoor is reeds overwogen dat in dit geding de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde FML als een vaststaand gegeven moet beschouwd. De stelling moet dan ook worden verworpen.

4.7. Appellant heeft weersproken dat in de genoemde functies geen sprake zou zijn van zware hand- of armbelasting. De Raad constateert met het Uwv dat appellant deze stellingname niet heeft onderbouwd. De Raad is ook anderszins niet gebleken dat van een onjuiste functiebelasting zou zijn uitgegaan. Naar het oordeel van de Raad is door de bezwaararbeidsdeskundige - na overleg met de bezwaarverzekeringsarts - voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspaak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM