Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
08-319 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering beperkt tot een bedrag van eenmalig € 100,--. Niet geoordeeld kan worden dat aan appellante na afloop van een assessment een voorziening is aangeboden gericht op arbeidsinschakeling. Derhalve kan ook niet geoordeeld worden dat appellante de verplichting om gebruik te maken van een aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft geschonden. Daaruit vloeit voort dat het College ten onrechte de bijstand van appellante eenmalig met € 100,-- heeft verlaagd op de grond dat zij tekortgeschoten is in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Vernietiging bestreden besluit en aangevallen uitspraak. De Raad voorziet zelf door herroeping primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010, 78
JWWB 2010, 59

Uitspraak

08/319 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2007, 06/5108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand sinds 1993, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellante heeft in de loop der jaren gebruik gemaakt van de haar aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, die evenwel niet tot het beoogde resultaat, het verkrijgen van een inkomen uit arbeid waarmee appellante in haar kosten van levensonderhoud kan voorzien, hebben geleid. Naar aanleiding van de voortijdige beëindiging van een re-integratietraject bij Randstad Rentree hebben twee medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) op 9 mei 2006 een afstemmingsgesprek met appellante gevoerd, waarbij tevens een aanmelding bij het zogeheten Hoyatraject is besproken. Appellante heeft daarbij aangegeven dat ze het wel zag zitten om met planten te werken, zij het dat het full-time werken en de aanvang van de werkzaamheden om 7.30 uur haar wel zwaar leek. Op 15 mei 2006 is appellante aangemeld bij het Hoyatraject. Na afloop van de eerste week, waarin een assessment heeft plaatsgevonden, heeft een terugmelding aan de DWI plaatsgevonden, waarbij is aangegeven dat appellante niet gemotiveerd en niet flexibel is.

1.3. Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het College de bijstand van appellante voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Bij besluit van 19 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2006 in zoverre gegrond verklaard dat de verlaging wordt beperkt tot een bedrag van eenmalig € 100,--. Aan het besluit op bezwaar heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante ernstig tekortgeschoten is in het meewerken aan een voorziening die haar in het kader van de WWB is aangeboden en dat in beginsel aanleiding bestaat tot een eenmalige verlaging van de bijstand met € 200,--. Het College heeft aanleiding gezien de verlaging te beperken tot € 100,-- omdat appellante op eigen initiatief werk heeft gevonden en met ingang van 6 juni 2006 voor 19 uur per week in loondienst werkzaam is.

2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 september 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante door het niet meewerken aan het Hoyatraject ernstig is tekortgeschoten in het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is in dit geval de Re-integratieverordening WWB van de gemeente Amsterdam (hierna: Re-integratieverordening), zoals die luidde ten tijde hier van belang.

4.3. Artikel 1, onder i, van de Re-integratieverordening definieert de uitkeringsgerechtigde als de persoon jonger dan 65 jaar die bijstand op grond van de WWB ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de IOAW of de IOAZ en die niet tevens een uitkering ontvangt van het UWV. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Re-integratieverordening behoren de personen wonende in de gemeente Amsterdam, jonger dan 65 jaar, die uitkeringsgerechtigde zijn tot de doelgroep van deze verordening.

4.4. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Re-integratieverordening kan de persoon uit de doelgroep aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het College, kortste weg naar duurzame arbeid. Het College bepaalt hoe deze aanspraak wordt ingevuld. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een persoon uit de doelgroep aan wie een voorziening wordt aangeboden, verplicht is gebruik te maken van deze voorziening.

4.5. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid. Artikel 18, tweede lid, van de WWB, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt waaronder het zich jegens het college ernstig misdragen, het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand verlaagt. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.6. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is in dit geval de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Amsterdam (hierna: Afstemmingsverordening).

4.7. Artikel 2, eerste lid, van de Afstemmingsverordening, voor zover hier van belang, bepaalt dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd, wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in:

a. het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

b. het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden of die, gezien haar aard en doel, met een WWB-voorziening gelijk is te stellen.

4.8. Het College heeft de bijstand van appellante eenmalig met € 100,-- verlaagd op de grond dat zij ernstig tekortgeschoten is in het meewerken aan een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te behouden, neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, heeft geschonden. De Raad stelt vast dat de rechtbank aldus buiten de omvang van het geding is getreden en dat de aangevallen uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven.

4.9. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting begrijpt de Raad dat het College het Hoyatraject aangemerkt als een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB en dit inzet als een disciplineringstraject voor onder meer bijstandsgerechtigden bij wie eerdere re-integratietrajecten voortijdig zijn afgebroken, zoals in het geval van appellante. Het oogmerk van dit traject is bij de deelnemers algemene werknemersvaardigheden te ontwikkelen, waarbij arbeidsmotivatie, leerbaarheid, belastbaarheid, werktempo, persoonlijk en sociaal functioneren en de mogelijkheden op de arbeidmarkt centraal staan. De deelnemers wordt onder meer geleerd op tijd op te staan en op tijd op het werk te verschijnen, samen te werken met collega’s en beter om te gaan met autoriteit. Gedurende de eerste week van dit traject vindt op vier dagen een assessment plaats om te bepalen over welke vaardigheden de betrokkene beschikt. Op basis van de resultaten van dit assessment wordt besloten of het Hoyatraject, verder bestaande uit werk in broeikassen, wordt voortgezet dan wel wordt gezocht naar een andere werkplek. De resultaten kunnen ook leiden tot de conclusie dat de betrokkene in voldoende mate beschikt over algemene werknemersvaardigheden, zodat geen aanleiding bestaat om een traject in te zetten.

4.10. Appellante heeft deelgenomen aan het assessment in de eerste week van het traject en aldus in zoverre meegewerkt aan een aangeboden voorziening in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening. Direct na afloop van het assessment is zij door de Hoyatrajectorganisatie aan de DWI teruggemeld met als reden dat zij niet gemotiveerd en niet flexibel is, waarbij is aangegeven dat appellante op drie van de vier dagen niet op tijd is verschenen. Het College heeft zich niet op het standpunt gesteld, en ook in de gedingstukken zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden, dat het assessment door toedoen van appellante is mislukt, zodat de Raad ervan uitgaat dat dit assessment aan het licht heeft gebracht dat appellante niet of in onvoldoende mate beschikt over de genoemde werknemersvaardigheden. Daargelaten of al dan niet aanleiding bestond dit traject voort te zetten om de bij appellante gesignaleerde tekortkomingen in haar werknemersvaardigheden weg te nemen, stelt de Raad vast dat appellante na afloop van het assessment niet is voorgedragen voor werk in kassen of op een andere werkplek, zodat niet geoordeeld kan worden dat aan appellante na afloop van dit assessment een voorziening is aangeboden gericht op arbeidsinschakeling. Derhalve kan ook niet geoordeeld worden dat appellante de verplichting om gebruik te maken van een aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft geschonden. Daaruit vloeit voort dat het College ten onrechte de bijstand van appellante eenmalig met € 100,-- heeft verlaagd op de grond dat zij tekortgeschoten is in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 19 september 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet aanleiding om gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Nu aan het primaire besluit van 24 mei 2006 hetzelfde gebrek kleeft als aan het besluit van 19 september 2006 en dit gebrek niet kan worden hersteld, zal de Raad het besluit van 24 mei 2006 herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal op € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2006;

Herroept het besluit van 24 mei 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

SB