Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
06-117 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering uitsluitend gebaseerd op de geschiktheid voor het eigen werk van printplaatmonteur. Terugvordering. In vaste jurisprudentie het uitgangspunt besloten ligt dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij geraadpleegde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen (zie LJN AF4022). In het onderhavige geval doet zich deze situatie voor. Na inschakeling tweede deskundige wordt geconcludeerd dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/117 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

erven en/of rechtverkrijgenden (hierna: erven) van wijlen [Betrokkene] (hierna: betrokkene), laatstelijk wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2005, 05/1380 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de erven

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens de erven heeft mr. I. Scherpenisse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 11 december 2007 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens heeft prof. dr. F.W.A. Verheugt, als cardioloog verbonden aan het UMC St Radboud te Nijmegen, omtrent de gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde in geding op 10 maart 2008 rapport uitgebracht.

Op dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer met een rapportage van 24 april 2008 gereageerd, waarna dr. Verheugt desgevraagd de Raad bij brief van 29 mei 2008 nog een reactie heeft doen toekomen.

Het Uwv heeft bij brief van 12 juni 2008 vervolgens commentaar gegeven op deze reactie van dr. Verheugt, waarop mr. Scherpenisse op 16 juni 2008 namens de erven heeft gereageerd.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 10 september 2008 heeft de Raad besloten het onderzoek wederom te heropenen.

Naar aanleiding van de nadere reacties van partijen heeft de Raad aanleiding gezien enkele vragen voor te leggen aan dr. Verheugt. In verband met diens emeritaat heeft de Raad H.C. Klomps, als cardioloog verbonden aan het St. Jans Gasthuis te Weert, verzocht de betreffende vragen te beantwoorden. Bij brief van 22 juli 2009 heeft Klomps deze vragen beantwoord.

Het Uwv heeft bij brief van 5 augustus 2009 een reactie ingezonden, met een ondersteunende rapportage van 3 augustus 2009 van de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe. Bij brief van 7 augustus 2009 heeft mr. Scherpenisse op deze stukken commentaar gegeven. Op dit commentaar heeft het Uwv bij brief van 7 september 2009 nader gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 14 december 2009. Namens de erven zijn verschenen [B.] en [B.B.], bijgestaan door mr. Scherpenisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene leed aan de ziekte van Bechterew. Hij is in verband met een liesbreuk op 11 mei 2002 uitgevallen voor zijn werk van printplaatmonteur bij Multibedrijven Rotterdam. Op 5 augustus 2002 is hem een hartinfarct overkomen, waarna op

17 januari 2003 een hartoperatie heeft plaatsgevonden. Met ingang van 12 mei 2003 is betrokkene in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Betrokkene heeft op 28 juni 2004 het werk bij Multibedrijven hervat voor 15 uur per week, niet in het eigen werk, maar in de functie van machinebediende.

1.2. Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 28 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, omdat betrokkene geschikt wordt geacht voor de door hem met ingang van die datum verrichte werkzaamheden in de functie van machinebediende voor 15 uur per week. Bij besluit van eveneens 19 augustus 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 19 oktober 2004 ingetrokken, omdat betrokkene per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van het eigen werk van printplaatmonteur alsmede werkzaamheden in algemeen geaccepteerde arbeid. Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft het Uwv de gedurende de periode van 28 juni 2004 tot en met 31 augustus 2004 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering tot € 839,79 van betrokkene teruggevorderd.

1.3. Namens betrokkene is tegen de drie voornoemde besluiten bezwaar gemaakt. Betrokkene is op 13 december 2004 overleden. De erven hebben de procedure voortgezet. Bij besluit van 15 februari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is het terugvorderingsbedrag nader bepaald op € 829,30.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens de erven tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. De erven hebben in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank uitvoerig bestreden. De kern van het betoog van de erven is dat de voorhanden medische gegevens het aannemelijk maken dat ten tijde van belang voor betrokkene geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden waren.

3.2. Bij brief van 5 augustus 2009 heeft het Uwv te kennen gegeven het standpunt dat betrokkene met ingang van 28 juni 2004 geschikt wordt geacht de werkzaamheden in de functie van machinebediende te kunnen verrichten voor 15 uur per week, niet langer te handhaven. Betrokkene moet op en na die datum ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt worden geacht. Gelet op de genoten verdiensten dient de WAO-uitkering vanaf 28 juni 2004 op grond van artikel 44 van de WAO te worden uitbetaald als ware betrokkene 55 tot 65% arbeidsongeschikt. Aangezien de wijziging van de juridische grondslag geen gevolgen heeft voor de feitelijke hoogte van de uitkering, zoals die op en na 28 juni 2004 diende te worden uitbetaald, wijzigt het bedrag aan tot en met 31 augustus 2004 onverschuldigd betaalde uitkering niet. Voorts heeft het Uwv te kennen gegeven dat de intrekking van de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 19 oktober 2004 uitsluitend wordt gebaseerd op de geschiktheid voor het eigen werk van printplaatmonteur.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat gelet op het verhandelde ter zitting tussen partijen thans nog in geschil is:

a. de geschiktheid van betrokkene om met ingang van 19 oktober 2004 het eigen werk van printplaatmonteur te kunnen verrichten;

b. de terugvordering van betrokkene van hetgeen over de periode van 28 juni 2004 tot en met 31 augustus 2004 aan hem onverschuldigd aan WAO-uitkering is betaald.

De Raad zal zijn oordeel tot deze geschilpunten beperken.

4.2. Wat betreft de medische beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 19 oktober 2004 stelt de Raad voorop dat in zijn vaste jurisprudentie het uitgangspunt besloten ligt dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij geraadpleegde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 oktober 2002, LJN AF4022.

4.3. De Raad heeft in hetgeen namens de erven in hoger beroep naar voren is gebracht, aanleiding gezien dr. Verheugt als deskundige te benoemen. Dr. Verheugt heeft in zijn rapport van 10 maart 2008 met betrekking tot betrokkene geconcludeerd tot een zo goed als totale arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts De Brouwer heeft in zijn rapportage van 24 april 2008 gemotiveerd gereageerd op het rapport van de deskundige en zijn punten van kritiek met redenen omkleed. Daarbij heeft De Brouwer onder meer gewezen op het verschil van inzicht tussen dr. Verheugt en de behandelend cardioloog, blijkens diens schrijven van 1 juni 2004, over de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Vervolgens is deze rapportage van De Brouwer voor commentaar voorgelegd aan dr. Verheugt. In zijn reactie van 29 mei 2008 heeft dr. Verheugt slechts te kennen gegeven dat hij in die rapportage geen aanleiding ziet tot aanvulling of wijziging van zijn conclusies van 10 maart 2008. De Raad is niet kunnen blijken dat dr. Verheugt zijn eigen oordeel serieus heeft heroverwogen, terwijl gelet op de gemotiveerde reactie van De Brouwer op zijn rapport van 10 maart 2008 daarvoor alle aanleiding was. Nadere vragen van de Raad heeft dr. Verheugt in verband met zijn emeritaat niet meer beantwoord. De Raad ziet dan ook aanleiding om in dit geval af te wijken van het in 4.2 neergelegde uitgangspunt en het medisch oordeel van de deskundige dr. Verheugt niet te volgen.

4.4. De Raad heeft vervolgens aanleiding gezien de cardioloog Klomps als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek naar de gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde in geding. Klomps heeft in zijn rapport van 22 juli 2009 de hem voorgelegde vragen beantwoord en onder meer te kennen gegeven het niet eens te zijn met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Verder heeft Klomps in zijn beantwoording geconcludeerd dat voor betrokkene zittend werk met weinig energetische belasting tot de mogelijkheden zou moeten behoren.

4.5. De Raad is van oordeel dat deze deskundige, die de beschikking heeft over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van deze deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. Daarbij wijst de Raad erop dat het Uwv heeft aangegeven dat de bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe zich kan vinden in de conclusies van de deskundige Klomps voor zover deze de hem voorgelegde vragen heeft beantwoord. Van de zijde van de erven zijn geen medische stukken ingebracht die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde in geding. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gevonden om met betrekking tot het oordeel van de deskundige Klomps af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

4.6. Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende – niet betwiste – beschrijving van de taken in de functie van printplaatmonteur bij [naam bedrijf] onderschrijft de Raad voorts het standpunt van het Uwv dat de werkzaamheden van betrokkene in de functie van printplaatmonteur vallen binnen de door de deskundige Klomps geschetste kaders omdat sprake is van zittend werk met weinig energetische belasting. Dit betekent dat betrokkene op 19 oktober 2004 geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid, hetgeen de vooronderstelling rechtvaardigt dat er op die datum geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Van bijzondere omstandigheden welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten, is de Raad in dit geval niet gebleken. Hieruit volgt dat het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 19 oktober 2004 terecht heeft ingetrokken.

4.7. Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad als volgt. Vast staat en niet meer wordt betwist dat over de periode van 28 juni 2004 tot en met 31 augustus 2004 aan betrokkene onverschuldigd WAO-uitkering is betaald tot een bedrag van € 829,30. Op grond van artikel 57 van de WAO is het Uwv gehouden onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij er sprake is van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien kan blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling slechts sprake zijn, indien terugvordering voor de betrokken verzekerde tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zal leiden. Met hetgeen in alle instanties van deze procedure is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gezien om aan te nemen dat er sprake is van dringende reden op grond waarvan het Uwv van de terugvordering kan afzien.

4.8. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 volgt het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 januari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. de Wit.

IvR