Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
08-6360 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Appellant heeft tegen het besluit van 3 februari 2003 geen bezwaar gemaakt en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 december 2006 zich uitsluitend richtte tegen het dagloon per 22 december 2004, is het bezwaar van appellant naar het oordeel van de Raad terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit bevatte immers wat het dagloon betreft uitsluitend een herhaling van het reeds bij besluit van 3 februari 2003, thans geïndexeerde dagloon. Geen schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6360 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 september 2008, 07/1876 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zittting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van Deuzen voornoemd, terwijl het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 3 februari 2003 heeft het Uwv aan appellant een uitkering (loondervingsuitkering) op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend met ingang van 25 december 2002 waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 25-35%. Het dagloon is hierbij bepaald op € 114,36. In dit besluit is tevens vermeld dat de periode van de loondervingsuitkering maximaal twee jaren bedraagt.

2.2. Bij besluit van 11 november 2004 is de loondervingsuitkering met ingang van 25 december 2004 beëindigd en is aan appellant met ingang van die datum een vervolguitkering toegekend met een vervolgdagloon van € 99,89.

2.3. Naar aanleiding van een verzoek van appellant tot verhoging van zijn WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschikheid is aan appellant op 29 november 2006 bericht dat hem een voorschot betaald wordt op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar een voorlopig dagloon van € 101,45.

2.4. Bij besluit van 18 december 2006 is aan appellant een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% met ingang van 22 december 2004, naar een dagloon van € 115,79.

2.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het onder 2.4 vermelde besluit voor zover dit de hoogte van het dagloon betreft. Dit bezwaarschrift is bij het Uwv ingekomen op 25 januari 2007.

2.6. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 14 februari 2007.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft in hoger beroep doen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen de hoogte van het dagloon van € 115,79. Daarnaast is appellant van mening dat hem een schadevergoeding dient te worden toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vast dat appellant tegen het besluit van 3 februari 2003 waarbij hem een loondervingsuitkering is toegekend met ingang van 25 december 2002 naar een dagloon van respectievelijk € 114,36 geen bezwaar heeft gemaakt. Dit betekent dat dit dagloon in rechte onaantastbaar is geworden. Het in het bestreden besluit vermelde dagloon betreft het dagloon waarnaar de loondervingsuitkering is berekend. Dit is terecht nu de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 december 2004 is verhoogd wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid en de vervolguitkering eerst op 25 december 2004 ingaat. Nu appellant tegen het besluit van 3 februari 2003 geen bezwaar heeft gemaakt en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 december 2006 zich uitsluitend richtte tegen het dagloon per 22 december 2004, is het bezwaar van appellant naar het oordeel van de Raad terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit bevatte immers wat het dagloon betreft uitsluitend een herhaling van het reeds bij besluit van 3 februari 2003, thans geïndexeerde dagloon.

5.2. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad dat, zoals hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009), de redelijke termijn in een procedure als deze in beginsel niet is overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad ziet geen aanleiding in het voorliggende geval van een kortere termijn uit te gaan. Sedert de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 18 december 2006 is nog geen vier jaar verlopen. Van een schending van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

5.3. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

mm