Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
08-4588 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde voorschotten WIA-uitkering. Met het met terugwerkende kracht terugvorderen van voorschot is niet in strijd is met de (internationale) grondbeginselen van de sociale zekerheid. Geen sprake van gewekte verwachtingen. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4588 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2008, 07/4317 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2009. Namens appellante is mr. De Bruin verschenen. Het Uwv heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 6 februari 2006 bij het Uwv een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), nadat zij op 22 januari 2004 wegens rugklachten was uitgevallen voor haar werkzaamheden van productiemedewerker. Bij besluit van 22 november 2006 is aan appellante meegedeeld dat hangende het onderzoek vanaf 11 mei 2006 voorschot wordt toegekend. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is appellante geschikt bevonden voor algemeen geaccepteerde arbeid. Bij besluit van 24 januari 2007 is aan appellante bericht dat zij vanaf 11 mei 2006 geen uitkering ingevolge de Wet WIA kan krijgen en tevens dat de verstrekking van voorschotten wordt beëindigd. Tegen het besluit van 24 januari 2007 heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het Uwv appellante bericht dat het over de periode van 11 mei 2006 tot en met 31 januari 2007 onverschuldigd betaalde bedrag aan voorschotten van € 10.747,35 van haar wordt teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellante een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is bij besluit van 17 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is naar voren gebracht dat door de lange duur van de beslistermijn er bij haar verwachtingen zijn gewekt. Verder brengt de terugvordering van het voorschot met terugwerkende kracht mee dat zij in feite een periode geen inkomen heeft gehad. Dat betekent dat zij haar kinderen niet heeft kunnen bieden waarop zij recht hebben. Haar kinderen zijn wat dat betreft slechter af dan hun leeftijdsgenoten. Dit is onder meer in strijd met het (discriminatieverbod van het) Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat appellante, nu haar aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet WIA was afgewezen, geen recht had op voorschotten ingevolge die wet. Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is het Uwv verplicht hetgeen op grond van die wet ten onrechte is betaald van de betrokkene terug te vorderen. Ook een uitkering die op grond van artikel 67, tweede lid, van de Wet WIA als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld, moet door het Uwv worden teruggevorderd. Tussen partijen is niet in geschil dat de omvang van hetgeen is teruggevorderd juist is vastgesteld.

4.2. De stelling van appellante dat het met terugwerkende kracht terugvorderen van voorschot in strijd is met het IVRK, omdat zij daardoor haar kinderen niet kan bieden waarop zij recht hebben, kan de Raad niet volgen, reeds omdat in de periode in geding het voorschot feitelijk door appellante is ontvangen en uit de toepasselijke regelgeving met betrekking tot de terugbetaling van teruggevorderde bedragen voortvloeit dat de betrokkene blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook de – niet of nauwelijks onderbouwde – stelling van appellante dat met het met terugwerkende kracht terugvorderen van voorschot in strijd is met de (internationale) grondbeginselen van de sociale zekerheid wordt door de Raad niet onderschreven.

4.3. De Raad begrijpt verder de aangevoerde grond dat bij appellante door de lange duur van de beslistermijn verwachtingen zijn gewekt aldus dat appellante meent dat zij er op mocht vertrouwen dat zij vanaf 11 mei 2006 een uitkering ingevolge de Wet WIA ontving. Evenals de rechtbank verwerpt de Raad deze grond nu in het besluit van

22 november 2006 tot betaling van voorschotten met ingang van 11 mei 2006 uitdrukkelijk de mededeling is opgenomen dat bij weigering van de WIA-uitkering die voorschotten moeten worden terugbetaald.

4.4. Ingevolge artikel 77, vierde lid, van de Wet WIA kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling, die inhoudelijk overeenkomt met artikel 57, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, blijkt dat de wetgever, wil er sprake zijn van dringende redenen als hier bedoeld, van oordeel is dat het moet gaan om incidentele gevallen waarin sprake is van onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene. Wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn, dan moet er zoals blijkt uit de jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2007, LJN BB9275) iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt. Dat is niet het geval ten aanzien van appellante. Ook de omstandigheid dat het Uwv de WIA-aanvraag niet tijdig heeft afgehandeld, waardoor er aanleiding was om tot voorschotbetalingen over te gaan, levert geen dringende reden op. Die omstandigheid heeft immers betrekking op de oorzaak van de terugvordering en niet op de gevolgen daarvan.

4.4. Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. Wit.

KR