Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
08-6850 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Afwijzing aanvraag om een WAO-uitkering na verkorte wachttijd.Ook de Raad heeft geen redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de daarop gebaseerde conclusies. De Raad kan appellante voorts niet volgen in haar betoog dat het Uwv haar aanvraag niet heeft getoetst aan artikel 43a van de WAO. Deze bepaling is expliciet genoemd in het bestreden besluit. Verder blijkt overtuigend uit de medische en arbeidskundige rapportages, die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, dat de in geding zijnde aanvraag is beoordeeld in het licht van de eisen van de betreffende bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6850 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 oktober 2008, 08/781(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. P.J.M. Bongaarts, kantoorgenoot van mr. Wudka. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.1. Aan appellante is in verband met psychische klachten in 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 24 februari 2005, gehandhaafd bij besluit van 22 juli 2005, is deze uitkering met ingang van 24 april 2005 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder is dan 15%. Tegen het besluit van 24 februari 2005 heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.2. Appellante heeft op 5 juni 2007 een aanvraag ingediend voor een ‘arbeidsongeschiktheidsuitkering na verkorte wachttijd’ wegens sedert de tweede helft van het jaar 2006 toegenomen (psychische) klachten. Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 april 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts alsmede uit de informatie van het RIAGG van 10 juli 2007 is de rechtbank niet kunnen blijken dat bij appellante sprake is van een toename van beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 januari 2005. De door appellante aangevoerde grond dat het Uwv heeft verzuimd voldoende informatie in te winnen bij de behandelend sector slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet aangezien de verzekeringsarts, alvorens een standpunt in te nemen, bij het RIAGG informatie heeft opgevraagd en de ontvangen informatie heeft betrokken bij haar oordeel.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat het Uwv niet voldoende diepgaand heeft geïnformeerd bij de behandelend sector. Daarnaast twijfelt zij eraan of het Uwv haar aanvraag wel getoetst heeft aan artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. In elk geval blijkt dat niet uit de onderliggende stukken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad heeft geen redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de daarop gebaseerde conclusies. Daarbij zij opgemerkt dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 14 februari 2008 melding maakt van de informatie van het RIAGG van 15 juli 2005 en van 10 juli 2007 en dat zij uitgebreid ingaat op de informatie van 10 juli 2007. Van de zijde van appellante is overigens noch in beroep noch in hoger beroep enig medisch stuk ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat haar psychische toestand onjuist is ingeschat en dat de beoordeling anders zou zijn geweest indien vast zou komen te staan dat haar klachten voortkomen uit een persoonlijkheidsstoornis.

4.2. De Raad kan appellante voorts niet volgen in haar betoog dat het Uwv haar aanvraag niet heeft getoetst aan artikel 43a van de WAO. Deze bepaling is expliciet genoemd in het bestreden besluit. Verder blijkt overtuigend uit de medische en arbeidskundige rapportages, die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, dat de in geding zijnde aanvraag is beoordeeld in het licht van de eisen van de betreffende bepaling. De verzekeringsarts heeft in haar rapportage van 25 september 2007 geconcludeerd dat sedert de vorige beoordeling geen sprake is van een verandering in de belastbaarheid, zodat de FML van 28 januari 2005, die ten grondslag ligt aan de intrekking van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 april 2005, nog onveranderd van toepassing is. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts voormelde conclusie van de verzekeringsarts onderschreven.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A. Wit.

IvR