Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
08-3298 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om een WAZ-uitkering. Naar het oordeel van de Raad kan niet staande gehouden worden dat er na (het rechtens onaantastbaar zijn geworden van) het besluit van 6 december 2005 nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken in de vorm van een pas na deze datum aan het licht gekomen bipolaire stoornis. Overigens wijst de Raad erop dat de feitelijke situatie waarvan verzekeringsarts Klerkx medio 2005 heeft kennisgenomen niet duidelijk verschilt van de bevindingen van Müller en Van Waarde enkele maanden later. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3298 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 april 2008, 07/4241 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben bericht ontvangen dat de Raad vooralsnog geen aanleiding heeft gevonden om tegemoet te komen aan het verzoek van mr. Voets om een deskundige te benoemen. Mr. Voets heeft daarna nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als eigenares van een horeca-onderneming. In 2005 heeft zij een uitkering aangevraagd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) vanwege psychische klachten die haar vanaf medio 2003 beperkingen gaven bij het verrichten van arbeid.

1.2. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Dit besluit berust op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waaruit naar voren is gekomen dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan de door een arbeidsdeskundige geselecteerde functies, waardoor er na afloop van de wettelijke wachttijd, die is gesteld op 30 juli 2004, een verlies aan verdienvermogen is van minder dan 25%. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.1. Begin 2007 heeft appellante nogmaals een WAZ-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft zij vermeld dat inmiddels is gebleken dat zij aan een psychiatrische ziekte lijdt en dat zij toegenomen arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft in overleg met appellante deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 december 2005 in verband met de inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ.

2.2. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen nadat op grond van dossieronderzoek door M.M. Schuckman, als arts verbonden aan het Uwv, was vastgesteld dat er medisch bezien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het besluit van 6 december 2005 onjuist is.

2.3. In verband met het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans op 7 augustus 2007 rapport uitgebracht met als conclusie dat de nieuw door appellante overgelegde medische stukken niet afdoen aan de aard en de ernst van haar functionele beperkingen zoals deze ten grondslag liggen aan het besluit van 6 december 2005 en dat er geen aanleiding is tot andere medische beperkingen te komen per augustus 2004 dan eerder zijn vastgesteld. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 31 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name aangevoerd dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2005 is afgegaan op informatie van de behandelend psycholoog H.J.W. Hanekamp die toen nog van een lichtere diagnose uitging, te weten een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) slechts een gering aantal beperkingen is opgenomen. Inmiddels is gebleken dat appellante ook toen al een bipolaire stoornis type II had die aanzienlijk meer beperkingen meebrengt voor het verrichten van arbeid.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, met name gelet op de door appellante overgelegde brieven van haar psychiater J.A. van Waarde van 4 april 2006 en haar psychiater M. Müller van 17 mei 2006, in de door hen gestelde diagnose geen aanleiding hoefde te zien om terug te komen van het besluit van 6 december 2005, omdat niet is gebleken dat de eerder aangenomen beperkingen op basis van deze diagnose onjuist zijn.

4. Appellante heeft in hoger beroep het eerder aangevoerde herhaald. Zij heeft benadrukt en nader geadstrueerd dat vanaf 1 augustus 2003 bij haar sprake is van een ernstig en invaliderend ziektebeeld waarmee niet eerder rekening is gehouden.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarom dient de bestuursrechter in dat geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.2. Uit de stukken die ten grondslag liggen aan het besluit van 6 december 2005 maakt de Raad op dat verzekeringsarts M.P.F. Klerkx destijds informatie heeft ingewonnen bij psycholoog Hanekamp bij wie appellante op dat moment nog onder behandeling was. Deze heeft onder meer geantwoord dat toen hij appellante in juni/juli 2005, na een korte onderbreking, terugzag haar klachten waren veranderd, dat zij niet in staat was haar bedrijf weer te gaan leiden en dat mogelijk sprake is van een bipolaire stoornis. Met het door Hanekamp geschetste beeld heeft Klerkx rekening gehouden toen hij op 9 september 2005 de FML opstelde. Deze zou volgens hem tot 17 juli 2006 geldig zijn. Kort daarna, en nog voordat appellante in december 2005 de uitkomst ontving van het arbeidskundig onderzoek, werd zij ermee bekend dat psychiaters Müller en Van Waarde bij haar de diagnose bipolaire stoornis type II hadden gesteld. Deze psychiaters hebben in hun verslagen van 9 november 2005 en 20 december 2005, behalve deze diagnose, ook hun bevindingen over het functioneren van appellante vermeld tijdens haar opname in september/oktober 2005 respectievelijk haar dagbehandeling in oktober/november 2005. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat er na (het rechtens onaantastbaar zijn geworden van) het besluit van 6 december 2005 nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken in de vorm van een pas na deze datum aan het licht gekomen bipolaire stoornis. Overigens wijst de Raad erop dat de feitelijke situatie waarvan verzekeringsarts Klerkx medio 2005 heeft kennisgenomen niet duidelijk verschilt van de bevindingen van Müller en Van Waarde enkele maanden later.

5.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

(get.) H. Bolt.

get.) D.E.P.M. Bary.

IvR