Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
08-6819 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onjuist te achten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat niet valt in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts niet mocht varen op zijn eigen oordeel. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is ook de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6819 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2008, 08/47 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.M. Knoef, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2009. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. S.M.J. van de Ven, kantoorgenoot van mr. Knoef. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% nadat hij ongeschikt was geworden voor zijn werk als vorkheftruckchauffeur na het verlies van een oog en het ontstaan van psychische klachten. In verband met het per

1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 1 juni 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2007 ingetrokken.

1.2. Bij besluit van 26 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 juni 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2007 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Zij heeft geen grond gezien om te oordelen dat appellant meer beperkt is dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 oktober 2007 is vastgelegd. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de datum in geding vastgesteld dat er sprake is van een zekere mate van psychische stoornis en heeft hij de FML daarom aangepast. Ten aanzien van de visusklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de kleurenblindheid reeds bestond vóór het oogtrauma en indertijd geen beperkingen gaf ten aanzien van werk. Verder blijkt uit de anamnese, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat appellant geen problemen heeft ervaren met het zich aanpassen aan het zien met één oog.

2.2. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat nu er in de geduide functies geen ontoelaatbare overschrijdingen van de vastgestelde belastbaarheid van appellant voorkomen het Uwv deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij ten gevolge van zijn psychische klachten op en na de datum in geding meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een verslag overgelegd van de bevindingen van J. Gerritsen, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, en een bericht van 12 november 2009 van de Symforagroep te Amersfoort, waaruit blijkt dat hij vanwege een stoornis in de impulsbeheersing NAO een agressieregulatietraining zal gaan volgen. Evenals in beroep heeft appellant verder naar voren gebracht dat een verzekeringsarts niet geacht kan worden een deskundig oordeel te geven over de aard en ernst van een psychische stoornis. Hij verzoekt de Raad dan ook een onafhankelijk onderzoek te doen instellen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft er op gewezen dat appellant ten tijde van de thans in geding zijnde herbeoordeling reeds jaren geen behandeling heeft gehad of gezocht voor zijn psychische klachten en dat ernstige psychopathologie nimmer is vastgesteld. In verband met een milde stoornis in het psychisch functioneren zijn beperkingen aangenomen voor conflicthantering, samenwerking en het uiten van de eigen gevoelens, alsmede voor stressverhogende omstandigheden als onvoorspelbare situaties. Eerst na de spanning die de onderhavige procedure met zich mee bracht heeft appellant het gebruik van medicatie hervat. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 12 februari 2008 in reactie op het beroepschrift van appellant gesteld dat er geen redenen zijn waarom hij nog een andere arts had moeten raadplegen. De eigen observatie, de indrukken tijdens de hoorzitting, de kennelijk niet door appellant zelf noodzakelijk geachte behandeling, de in het verleden verrichte expertise en het beloop van de klachten sedert 1996 vormen daartoe ook geen enkele aanleiding, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat niet valt in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts niet mocht varen op zijn eigen oordeel. De door appellant in hoger beroep aangedragen gegevens hebben de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Het overgelegde verslag van J. Gerritsen, bij wie appellant eerst meer dan een jaar na de in geding zijnde datum onder behandeling is gekomen, bevat geen gegevens die relevant zijn voor appellants gezondheidstoestand ten tijde in geding. Onder verwijzing naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 2 december 2009, welke reactie de Raad onderschrijft, werpt ook de recente verwijzing naar een agressieregulatietraining geen nieuw licht op de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is ook de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. Wit.

TM