Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
07-2023 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in haar uitspraak van 12 april 2005 de door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot de in overweging 5.1.1 genoemde punten van de FML van 21 februari 2003 niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Voorts heeft appellant in de procedure die heeft geleid tot de thans aangevallen uitspraak wederom gronden aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat in hoger beroep de volledige FML ter beoordeling staat. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008, LN BG1621. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met het arbeidskundige rapport van 18 februari 2005, in samenhang bezien met het arbeidskundige rapport van 13 augustus 2008, heeft het Uwv genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2023 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2007, 05/4316 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 20 augustus 2008 een rapport van 13 augustus 2008 van bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars ingestuurd.

Bij brief van 29 oktober 2008 heeft appellant een rapport van 22 mei 2008 van psycholoog E.H. Ameling ingestuurd.

Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brief van 17 november 2008, met daarbij gevoegd een rapport van 13 november 2008 van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer. Hierop is door psycholoog Ameling gereageerd bij brief van 19 november 2009. In reactie hierop heeft het Uwv bij brief van 25 november 2009 een rapport van 24 november 2009 van bezwaarverzekeringsarts Cramer overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als fulltime snackbarmedewerker. Op 1 september 1995 is appellant voor die werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 30 augustus 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 7 maart 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 mei 2003 ingetrokken op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 27 oktober 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2003 ongegrond verklaard.

2. Het hiertegen door appellant ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2005 (03/5835) gegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit is vernietigd en het Uwv opdracht heeft gekregen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2003. Partijen hebben in die uitspraak berust en het Uwv heeft ter uitvoering daarvan op 8 augustus 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2003 opnieuw ongegrond is verklaard.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de grond van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen in het rapport van 23 mei 2005 alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 februari 2003 op een aantal aspecten afwijkt van het belastbaarheidsprofiel uit 1999. De rechtbank heeft geen aanleiding meer gezien om te twijfelen aan de FML, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen dat appellant geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van de FML. Het aspect ‘omgaan met conflicten’ is echter niet nader gemotiveerd en kan om die reden (opnieuw) niet voor juist worden gehouden. De rechtbank heeft hieraan echter geen consequenties verbonden omdat in de geduide functies geen sprake is van een bijzondere belasting op dat aspect.

3.2. Met betrekking tot de voor de schatting gebruikte functies heeft de rechtbank overwogen dat in de arbeidskundige rapporten van 18 februari en 3 augustus 2005 een toereikende motivering is verstrekt voor de signaleringen en de niet-matchende punten.

4. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat hij zich vanwege de combinatie van zijn lichamelijke en psychische klachten nog steeds (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt acht. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst appellant naar het in rubriek I vermelde rapport van psycholoog E.H. Ameling en haar reactie van 19 november 2009.

5.1.1. Met betrekking tot de ambtshalve vast te stellen omvang van het geding overweegt de Raad eerst als volgt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat zij in haar uitspraak van 12 april 2005 heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellant op de punten staan, concentreren van de aandacht, herinneren en het aantal uren werken per dag en per week, meer beperkt zou zijn dan door het Uwv is aangenomen. Nu geen der partijen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 12 april 2005 konden deze beperkingen in het geding dat heeft geleid tot de aangevallen uitspraak naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde komen.

5.1.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in haar uitspraak van 12 april 2005 de door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot de in overweging 5.1.1 genoemde punten van de FML van 21 februari 2003 niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Voorts heeft appellant in de procedure die heeft geleid tot de thans aangevallen uitspraak wederom gronden aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat in hoger beroep de volledige FML ter beoordeling staat. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008, LN BG1621.

5.2.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Wat betreft de fysieke belastbaarheid van appellant is de Raad met de rechtbank van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen in het rapport van 23 mei 2005 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom daarvoor in de FML van 21 februari 2003 geen beperkingen meer zijn aangenomen.

5.2.2. Wat betreft de psychische belastbaarheid van appellant neemt de Raad in aanmerking dat uit het meergenoemde rapport van de psycholoog Ameling naar voren komt dat er bij appellant sprake is van een ADHD-stoornis, die in de volwassenheid kan worden geclassificeerd als een persoonlijkheidsstoornis met borderline en afhankelijke kenmerken. Daarnaast is er een verslaving aan cannabis. Appellant heeft beperkingen wat betreft cognitief functioneren, emotioneel functioneren en gedragsmatig functioneren. Naar het oordeel van Ameling golden de onderzoeksbevindingen ook ten tijde van de datum in geding. De Raad is van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Cramer in zijn rapporten van 13 november 2008 en 24 november 2009 voldoende heeft gemotiveerd waarom het rapport van Ameling geen aanleiding geeft om op medische gronden een andere beslissing te nemen. Bezwaarverzekeringsarts Cramer is van mening dat de concentratiezwakte bij appellant door Ameling niet objectief is vastgesteld. Voorts is de conclusie van Ameling dat appellant bij werkhervatting snel zal uitvallen, dat er gezondheidsschade zal optreden in de vorm van angsten en/of depressieve stoornis en dat er mogelijk zelfs suïciderisico is, naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende onderbouwd. In dit verband acht de Raad mede van belang dat deze conclusie van Ameling niet wordt ondersteund door enige andere medische informatie in het dossier.

5.2.3. Gelet op het voorgaande onderschrijft ook de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit. Hierin ligt besloten dat de Raad geen noodzaak ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige, zoals was verzocht namens appellant.

5.3. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met het arbeidskundige rapport van 18 februari 2005, in samenhang bezien met het arbeidskundige rapport van 13 augustus 2008, heeft het Uwv genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellant.

5.4. Uit de overwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.C.A. Wit

TM