Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
09-1092 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaal van WAO-uitkering op werkgever/eigen-risicodrager. Vaststaat dat appellante als eigen risicodrager de uitkering aan de werknemer moest uitbetalen. Vaststaat voorts dat zij dat niet heeft gedaan. Hieruit volgt dat het Uwv op grond van artikel 75a, vierde lid, tweede volzin, van de WAO, verplicht was de uitkering aan de werknemer te betalen en deze te verhalen op appellante. Appellante had in het kader van haar besluitvorming omtrent het aanvragen van het eigen risicodragerschap een eigen onderzoeksplicht. Omvang geding. Een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit valt buiten de procedure over een verhaalsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 93 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1092 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2009, 06/4696 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.K. Wouterse, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 december 2009. Namens appellante is verschenen [naam directeur], directeur, bijgestaan door mr. Wouterse. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij (de rechtsvoorganger van) appellante is werkzaam geweest [naam werknemer] (hierna: de werknemer). Met ingang van december 1999 is de werknemer wegens ziekte uitgevallen voor deze werkzaamheden.

1.2. Bij besluit van 8 december 2000 heeft het Uwv aan de werknemer met ingang van 11 december 2000 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (hierna ook: WAO-toekenningsbesluit). Van dit besluit is een kopie aan appellante gezonden.

1.3. Bij formulier van 24 maart 2004 heeft appellante het Uwv toestemming gevraagd om met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden als bedoeld in het toen geldende artikel 75 van de WAO. Het Uwv heeft de gevraagde toestemming verleend.

1.4. Bij besluit van 4 februari 2005 (hierna: het toerekeningsbesluit) heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden, op grond van artikel 75a van de WAO vanaf 1 juli 2004 zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering aan de (ex-)werknemer, zolang deze nog geen vijf jaar heeft geduurd.

1.5. Het Uwv heeft bij besluit van 18 mei 2005 het bij brief van 11 maart 2005 gemaakte bezwaar tegen het toerekeningsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.

1.6. Bij besluit van 13 april 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante de door het Uwv aan de werknemer betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2004 tot 11 december 2005 ten bedrage van € 38.015,27 aan hem dient terug te betalen (ook wel het verhaalsbesluit genoemd).

1.7. Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat tegen het toerekeningsbesluit van 4 februari 2005 beroep is ingesteld. Daarom heeft dit besluit formele rechtskracht gekregen en komt de WAO-uitkering van de werknemer per 1 juli 2004 op grond van artikel 75a van de WAO voor risico van appellante. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006, LJN AZ0127, verder overwogen het oordeel van het Uwv te delen dat appellante in het kader van de besluitvorming over het aanvragen van het eigen risicodragerschap een eigen onderzoeksplicht heeft. Nu uit de gedingstukken is gebleken dat het Uwv appellante op of omstreeks 8 december 2000 een afschrift heeft gezonden van het WAO-toekenningsbesluit, had het appellante uit onderzoek van de eigen administratie duidelijk kunnen zijn dat deze WAO-uitkering onder het eigen risicodragerschap viel. De keuze om eigen risicodrager te worden en de daaraan ten grondslag liggende afweging behoren tot de verantwoordelijkheid van appellante. In de omstandigheid dat de directeur-eigenaar van appellante de onderneming in 2003 heeft overgenomen, is geen grond gelegen voor een ander oordeel. Met de overname van het bedrijf heeft hij immers ook de lopende verplichtingen van appellante overgenomen. Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte of de berekening van het teruggevorderde bedrag en dat ook overigens niet gebleken is dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag onjuist is vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij vóór de ingangsdatum van het eigen risicodragerschap voldoende onderzoek heeft gedaan naar lopende WAO-uitkeringen door met een brief van 30 maart 2004 uitdrukkelijk aan het Uwv de vraag voor te leggen of en in hoeverre op haar aansluitnummer lopende WAO-uitkeringen waren geregistreerd. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, althans dat bij de vraag of op haar als eigen risicodrager de WAO-uitkering kan worden verhaald ook bezwaren moeten worden meegenomen zoals die kunnen worden ingebracht tegen het toerekeningsbesluit. Ten slotte zou het Uwv een onjuiste toepassing hebben gegeven aan het zogeheten terugkeerbeleid.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Nu appellante ter zitting heeft aangegeven dat zij niet het oordeel van de rechtbank bestrijdt dat het toerekeningsbesluit formele rechtskracht heeft gekregen, overweegt de Raad dat vaststaat dat appellante als eigen risicodrager vanaf 1 juli 2004 de uitkering aan de werknemer moest uitbetalen. Vaststaat voorts dat zij dat niet heeft gedaan. Hieruit volgt dat het Uwv op grond van artikel 75a, vierde lid, tweede volzin, van de WAO, verplicht was de uitkering aan de werknemer te betalen en deze te verhalen op appellante. In het bestreden besluit heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat het ten aanzien van het verhaalsbesluit slechts mogelijk is om tegen de hoogte dan wel de berekening van het verschuldigde bedrag bezwaar te maken. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN AZ0127, is dit standpunt van het Uwv niet juist te achten. In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol kunnen spelen in de fase van het verhaal van de uitkering op de eigen risicodrager. Hieruit volgt dat de grieven tegen het verhaalsbesluit zich niet hoeven te beperken tot de hoogte of berekening van het verschuldigde bedrag.

4.2. Appellante heeft geen grieven aangevoerd tegen de hoogte of de berekening van het verschuldigde bedrag. Van een situatie waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het Uwv destijds aan appellante een afschrift van het WAO-toekenningsbesluit heeft toegezonden, zodat het appellante uit haar eigen administratie duidelijk had kunnen zijn dat sprake was van een lopende, althans toegekende uitkering. Dat appellante destijds het belang van dat besluit niet heeft onderkend, zoals ter zitting is aangegeven, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt.

4.3.Voorts had appellante in het kader van haar besluitvorming omtrent het aanvragen van het eigen risicodragerschap een eigen onderzoeksplicht. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij met de brief van 30 maart 2004 heeft voldaan aan de op haar rustende onderzoeksplicht. Het Uwv heeft in het bestreden besluit reeds aangegeven dat een aanvraag om te worden aangemerkt als eigen risicodrager op grond van artikel 75 van de WAO uiterlijk 13 weken voor de beoogde ingangsdatum moet worden gedaan en dat die termijn in het onderhavige geval eindigde op 31 maart 2004. Met de brief van 30 maart 2004 heeft de Wester Adviesgroep “…een aantal door onze relaties getekende verzoeken om per 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden in het kader van de Wet Pemba” aan het Uwv gezonden. Tevens heeft de Wester Adviesgroep het Uwv verzocht “…indien op één of meerdere aansluitnummers momenteel WAO-verplichtingen gelden die als gevolg van de opzegging over worden gedragen aan de werkgever ons hiervan per omgaande op de hoogte te brengen.” Besloten is met de zin: “Mochten wij niets van u vernemen dan gaan wij er vanuit dat op geen der opgezegde aansluitnummer WAO-verplichtingen aanwezig zijn”. De Raad deelt het oordeel van het Uwv dat appellante met het sturen van een dergelijk verzoek één dag voordat de termijn voor het aanvragen van het eigen risicodragerschap eindigt, had kunnen en moeten beseffen dat dit in dit verband niet licht zonder risico zou zijn. Voorts mocht appellante er niet vanuit gaan dat het uitblijven van een antwoord zou leiden tot in rechte te honoreren verwachtingen.

4.4. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 8 mei 2009, LJN BI4758, moet een verzoek van een eigen risicodrager om terug te keren naar het publieke bestel worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit voor het eigen risicodragerschap. Een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit valt buiten de procedure over een verhaalsbesluit. Vastgesteld moet ook worden dat het bestreden besluit geen beslissing bevat over terugkeer naar het publieke bestel. De grond dat het Uwv het bij de terugkeer naar het publieke bestel gehanteerde beleid onjuist heeft toegepast, valt derhalve buiten de omvang van dit geding. Het Uwv heeft in het verweerschrift in eerste aanleg hierover een standpunt ingenomen. Het ligt in de rede dat het Uwv, voor zover dit niet reeds gebeurd is, zijn standpunt dat appellante niet voldoet aan de criteria die hij hanteert bij een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit, alsnog vastlegt in een besluit. Tegen dat besluit kan desgewenst bezwaar worden gemaakt en kunnen zonodig verdere rechtsmiddelen worden aangewend.

4.5. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen.

4.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK