Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-6044 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid. Voldoende medische grondslag. De Raad wijst erop dat appellante in hoger beroep in feite alleen algemene beschouwingen heeft gegeven over fibromyalgie, maar geen specifieke op haar medisch situatie op de datum in geding betrekking hebbende gegevens heeft aangevoerd en overgelegd die het standpunt kunnen onderbouwen dat de medische beperkingen van appellante moeten worden geacht te zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6044 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 september 2008, 07/2249 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2009.Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich op 5 september 1991 ziek meldde met duizeligheidsklachten. Nadien is bij appellante de diagnose fibromyalgie gesteld. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd ontving appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 7 maart 2006 door de verzekeringsarts S. Ytsma, waarbij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werd opgesteld, en arbeidskundig onderzoek, waarbij na functieduiding werd vastgesteld dat geen sprake was van verlies aan verdienvermogen, werd de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 17 mei 2006 met ingang van 18 juli 2006 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarprocedure verrichtte de bezwaarverzekeringsarts S. Tewarie, aansluitend aan de hoorzitting op 30 augustus 2008, een medisch onderzoek. In een rapport van dezelfde datum deed Tewarie verslag van lichamelijk onderzoek, waarbij hij aangaf dat er geen bijzonderheden of functiebeperkingen waren. Voorts onderschreef hij de in overweging 1.2 vermelde FML. In lijn hiermee verklaarde het Uwv bij besluit van 12 september 2006 het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond. Hiertegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

2. In een rapport van 9 mei 2007 vermeldde Ytsma dat appellante laatstelijk werkzaam was als schoonmaakster en dat zij zich in verband met uitval op 27 november 2006 met ingang van die datum toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen vroeg hij informatie aan de huisarts, die deze op 2 juli 2007 verstrekte in de vorm van het journaal dat de periode van 21 maart 2004 tot en met 2 juli 2007 bestreek. Na kennisneming hiervan concludeerde Ytsma in een rapport van 9 juli 2007 dat er naar aanleiding van de laatste ziekmelding van appellante met ingang van 25 december 2006 geen sprake was van een nieuw medisch feitencomplex op grond waarvan de eerder vastgestelde belastbaarheid zou zijn gewijzigd. Vervolgens weigerde het Uwv bij besluit van 14 augustus 2007 aan appellante met ingang van 25 december 2007 (lees: 2006) een WAO-uitkering omdat geen sprake was van een toename van de beperkingen.

3.1 In de bezwaarprocedure legde appellante een brief van de bedrijfsarts van 11 september 2007 over die, gelet op de medische problemen van appellante, geen mogelijkheden zag voor terugkeer in het eigen werk.

3.2. De bezwaarverzekeringarts A. Colijn wees in een rapport van 21 november 2007 op het uitgebreide onderzoek van Tewarie en besprak in het bijzonder de informatie van de huisarts betreffende de periode rond de datum bij het bestreden besluit in geding. Colijn stelde vast dat ook voor en na die periode sprake was van regelmatig bezoek aan de huisarts met steeds wisselende klachten die pasten bij de gediagnosticeerde fibromyalgie. Voorts gaf Colijn aan dat tot dan toe de knieklachten stationair waren en dat deze eerst in juni 2007 aanleiding gaven tot nader onderzoek. Colijn zag geen reden om af te wijken van de in overweging 2 vermelde conclusies van Ytsma. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 22 november 2007 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 augustus 2007 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 22 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank stelde vast dat appellante haar stelling dat op de datum in geding sprake was van toegenomen beperkingen niet heeft onderbouwd met medische gegevens, terwijl in het kader van artikel 43a van de WAO van appellante ten minste mag worden verwacht dat zij een begin van bewijs aandraagt dat sprake is van een dergelijke toename. Een toename van medische beperkingen, die ten grondslag lagen aan de eerder toegekende en later ingetrokken WAO-uitkering achtte de rechtbank dan ook onvoldoende aannemelijk geworden. Voorts tekende de rechtbank nog aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de daaruit getrokken conclusies toereikend zijn onderbouwd. Gelet op een ander zag de rechtbank tevens geen aanleiding het advies van een deskundige in te winnen.

5. In hoger beroep heeft appellante de gronden van haar beroep in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat appellante van mening is dat zij als gevolg van haar lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt is en dat een deskundige neuroloog en psychiater moet worden geraadpleegd.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad wijst erop dat appellante in hoger beroep, evenals trouwens in beroep, in feite alleen algemene beschouwingen heeft gegeven over fibromyalgie, maar, zoals de rechtbank reeds vaststelde, geen specifieke op haar medisch situatie op de datum in geding betrekking hebbende gegevens heeft aangevoerd en overgelegd die het standpunt kunnen onderbouwen dat op die datum de medische beperkingen van appellante moeten worden geacht te zijn toegenomen. Slechts indien sprake is van een dergelijke toename kan, zoals de rechtbank al overwoog onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van toepassing van artikel 43a van de WAO, worden beoordeeld of die toename ook arbeidskundig bezien leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid.

6.2. In overweging 6.1 ligt tevens besloten dat ook de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding ziet om wat betreft de op de datum in geding betrekking hebbende medische beoordeling van appellante benoeming van een deskundige aangewezen te achten.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

GdJ