Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-5100 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige kon volledig instemmen met de vastgestelde FML en oordeelde dat appellant zeker geacht kon worden niet zware rugbelastende werkzaamheden gedurende normale werktijden te kunnen verrichten. De geduide functies achtte de deskundige voor appellant medisch geschikt. Geen redenen om van oordeel deskundige af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5100 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2008, 07/2431 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 1 oktober 2008, 5 november 2008 en 5 november 2009 nadere (medische) stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2009.Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als technisch medewerker toen hij zich met ingang van 13 oktober 2003 arbeidsongeschikt meldde met rugklachten. Bij besluit van 27 juli 2005 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2005 waarbij aan hem met ingang van 25 oktober 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd.

1.2. Appellant is op 19 februari 2007, na een melding van toegenomen rugklachten met ingang van 10 juni 2005, onderzocht door de verzekeringarts W.A. Kooijman. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Kooijman een brief van de huisarts van 17 september 2006, die aangaf dat sprake was van progressieve rugklachten en melding maakte van een MRI-onderzoek aan de rug op 7 augustus 2006. Kooijman nam bij het psychisch onderzoek geen bijzonderheden waar, stelde bij het lichamelijk onderzoek bewegingsbeperkingen aan de rug vast, concludeerde dat sprake was van een sterke vermindering van de belastbaarheid van de rug en legde zijn bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Dienovereenkomstig weigerde het Uwv bij besluit van 8 maart 2007 aan appellant met ingang van 8 juli 2005 een WAO-uitkering toe te kennen.

2. In de bezwaarprocedure vermeldde de bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman in haar rapport van 18 juni 2007 de (medische) gegevens die appellant bij zijn bezwaarschrift had gevoegd. Volgens Hofman geeft de door Kooijman opgestelde FML forse beperkingen voor rugbelastende activiteiten aan en moet appellant, uitgaande van een verergerend beeld, waar ook de behandelend sector melding van maakt, daartoe met ingang van 8 juli 2005 toch minstens in staat worden geacht. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 25 juni 2007 het door appellant tegen het besluit van 8 maart 2007 gemaakte bezwaar ongegrond.

3.1. De rechtbank benoemde naar aanleiding van het beroep van appellant tegen het besluit van 25 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) de neurochirurg dr. J.H. van den Berge als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige vermeldde in een rapport van 16 april 2008 dat bij bestudering van overzichtsfoto’s van 6 februari 2008 als voorheen het meest opvallend waren de retroposities van vooral L3 ten opzichte van L4 en in mindere mate van L2 ten opzichte van L3. Gezien de anamnese en het neurologisch onderzoek diende daaraan volgens de deskundige niet teveel aandacht worden besteed. Volgens de deskundige was er eerder een myogene dan een neurologische dan wel orthopaedische oorzaak voor de klachten van appellant en kon het NAISD-gebruik beter worden afgebouwd. De deskundige kon volledig instemmen met de door Kooijman vastgestelde FML en oordeelde dat appellant zeker geacht kon worden niet zware rugbelastende werkzaamheden gedurende normale werktijden te kunnen verrichten. De geduide functies achtte de deskundige voor appellant medisch geschikt.

3.2. De bezwaararbeidsdeskundige H.C. Boersma gaf in een rapport van 16 juni 2008 naar aanleiding van de opmerking van de deskundige omtrent de geschiktheid van de functies boekhouder, loonadministateur (SBC-code 315040) en kassamedewerker, caissiere (SBC-code 317030) in verband met de opleiding van appellant aan dat het bij eerst genoemde SBC-code gaat om functies data-typist en bij laatstgenoemde SBC-code om de functie kassamedewerker amusementsindustrie. Het vereiste opleidingsniveau voor beide functies is VMBO dan wel MAVO- of VBO-niveau, waaraan appellant, gezien zijn opleiding van drie jaar LTS en zijn werkervaring, voldoet.

4.1. De rechtbank heeft het in overweging 3.1 vermelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4.2. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij niet in de gelegenheid was gesteld om zijn bezwaar mondeling toe te lichten wees de rechtbank op gedingstuk B32 - zijnde het door appellant op 19 maart 2007 ondertekende en door hem aan het Uwv teruggezonden Antwoordformulier hoorzitting – waarin appellant had aangegeven zijn bezwaar niet mondeling te willen toelichten. Ten aanzien van een mogelijk misverstand, hetgeen appellant ter zitting van de rechtbank op 14 juli 2008 opperde, wees de rechtbank erop dat, wat daar ook van zij, appellant in de bezwaarprocedure niet teruggekomen was van hetgeen hij had vermeld in evenbedoeld gedingstuk.

4.3. De rechtbank zag geen aanleiding om aan de in overweging 3.1 samengevat weergegeven conclusies van de deskundige te twijfelen en overwoog dat het standpunt van appellant dat, anders dan de deskundige concludeerde, zijn problematiek met de botten heeft te maken en niet met de spieren, niet met concrete medische gegevens is gestaafd. Gezien het onderzoek van de deskundige zag de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de FML de belastbaarheid van appellant op onjuiste dan wel onvolledige wijze weergaf.

4.4. Wat betreft het opleidingsniveau in de geduide functies onderschreef de rechtbank ten slotte de in overweging 3.2 vermelde visie van Boersma.

5. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald.

6.1. Wat betreft de gang van zaken met betrekking tot de hoorzitting onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen en in overweging 4.2 samengevat is weergegeven.

6.2. De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit en het onderzoek van de deskundige anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad merkt nog op dat in het kader van de vaststelling van de belastbaarheid van een verzekerde niet aan diens eigen opvatting daarover doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Voorts ligt in vaste rechtspraak van de Raad besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is ook de Raad niet gebleken. In het bijzonder ziet de Raad hiertoe geen aanleiding in het gegeven dat, zoals blijkt uit de door appellant op 5 november 2009 overgelegde stukken, het Uwv naar aanleiding van een ziekmelding van appellant op 15 januari 2007 bij besluit van 15 april 2009 heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 12 januari 2009 recht heeft op een zogenoemde loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Uit de aan dit besluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling komt immers naar voren dat de beperkingen ten aanzien van de rug in vergelijking met het onderzoek van Kooijman in februari 2007 hetzelfde zijn gebleven en dat in de ziektewetperiode sprake was van bijkomende psychische klachten, die aanleiding gaven tot forse beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren.

6.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid heeft de Raad voorts geen aanknopingspunten gezien de aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch niet geschikt te achten voor appellant.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

TM