Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-7079 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Voor het aannemen van meer beperkingen – onder meer een urenbeperking – ziet de Raad geen aanknopingspunten. De Raad wijst er in dit verband op dat de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts voor de noodzaak tot het aannemen van meer medische beperkingen geen medisch objectiveerbare oorzaak in de vorm van een ziekte of gebrek heeft aangegeven. Geen reden om aan te nemen dat de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies door appellante niet konden worden vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7079 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 november 2008, 08/216

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. G.G. Mostert, juridisch adviseur te Oirsbeek.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Mostert. Het Uwv was vertegenwoordigd door F. Houtbeckers.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 24 maart 2001 een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid toen minder dan 25% bedroeg.

2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 januari 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante op de datum in geding ernstig zouden zijn onderschat. Bij de beoordeling van de medische beperkingen is veel medische informatie uit de behandelend sector betrokken. In die informatie zijn geen concrete aanwijzingen te vinden dat relevante klachten met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante worden gemist en/of dat gelet op de Standaard Verminderde Arbeidsduur het stellen van een urenbeperking medisch geïndiceerd is. Ook de inhoud van het rapport van de door appellante geraadpleegde verzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen van 14 mei 2008 werpt geen wezenlijk ander licht op de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende medische beperkingen. Hierbij is in aanmerking genomen dat het standpunt van Nasheed-Linssen op vrijwel dezelfde medische feiten is gebaseerd als dat van de verzekeringsartsen van het Uwv. Voorts bevat het rapport onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van meer medische beperkingen waaronder een urenbeperking. Nu er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bestaat er geen aanleiding een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.

4. Appellante heeft in hoger beroep – daarmee in essentie herhalende hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd – gesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek geen volledig beeld van haar belastbaarheid geeft en dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Er had met name een urenbeperking aangenomen moeten worden. Appellante heeft ter nadere onderbouwing van haar standpunt een brief van de haar behandelend orthomanueel therapeut W.J.H. Esser van 14 november 2008 en een nader rapport van de door haar geraadpleegde verzekeringsarts Nasheed-Linssen van 29 november 2008 overgelegd. Appellante heeft de Raad verzocht om een onderzoek door een medische deskundige.

5. Het Uwv heeft in reactie een rapport van de bezwaarverzekeringsarts K. Corten van

23 januari 2009 ingebracht.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante per 24 maart 2001 medisch meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Voor de stelling van appellante is geen steun te vinden in de zich in het dossier bevindende medische informatie. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

6.2.1. De door appellante geraadpleegde verzekeringsarts Nasheed-Linssen heeft in haar rapporten aangegeven dat er bij appellante afwijkingen aan de wervelkolom zijn te constateren op grond waarvan appellante meer medische beperkingen heeft dan door de bezwaarverzekeringsarts zijn aangenomen. Volgens Nasheed-Linssen is het zinvol om appellante door een orthopedisch chirurg te laten onderzoeken.

6.2.2. De Raad stelt voorop dat de rugklachten van appellante zijn betrokken bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en hebben geleid tot het aannemen van een aantal medische beperkingen. Voor het aannemen van meer beperkingen – onder meer een urenbeperking – ziet de Raad geen aanknopingspunten. De Raad wijst er in dit verband op dat Nasheed-Linssen voor de noodzaak tot het aannemen van meer medische beperkingen geen medisch objectiveerbare oorzaak in de vorm van een ziekte of gebrek heeft aangegeven.

6.2.3. De Raad ziet in de bevindingen van Nasheed-Linssen, bezien in relatie tot de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Corten – beiden verschillen niet zozeer van mening over de medische feiten als wel over de medische beperkingen die uit die feiten voortvloeien –, in het zicht van het onder 6.2 overwogene geen reden om een medische deskundige in te schakelen.

6.2.4. Uitgaande van de juistheid van de FML van 8 januari 2008 is er geen reden om aan te nemen dat de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies (zie het rapport van de bezwaararbeidskundige 1 juli 2008) op 24 maart 2001 door appellante niet konden worden vervuld.

7. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, naar aanleiding van de in beroep ingediende gronden en voor zover in hoger beroep bestreden, volledig en maakt die tot de zijne.

8. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en R. Kruisdijk als leden in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.A. van Amerongen.

EF