Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08/5370 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering, primair op de grond dat de klachten waarmee appellant is uitgevallen al bestonden bij aanvang van de verzekering. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 43 WIA leidt de Raad af, dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c. inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in art. 30, lid 1, WAO. Gevormde jurisprudentie over deze laatste bepaling houdt haar gelding. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (o.a. LJN AX4595) is voor de toepassing van art. 30, lid 1, aanhef en onder a, WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. Uit het arbeidskundige rapport van 29 maart 2007 komt naar voren dat er zowel per datum aanvang van de verzekering als per datum einde wachttijd geen functies voor appellant geduid konden worden. Tevens was appellant al bij aanvang van de verzekering ongeschikt voor de maatgevende arbeid van matroos binnenvaart. Gelet hierop staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellant reeds bij aanvang van de verzekering op volledig arbeidsongeschikt was. Geen sprake van schending van het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde beginsel van een eerlijk proces dan wel van schending van het - eveneens in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde - beginsel van equality of arms.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 30, geldigheid: 2010-01-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/69
RSV 2010/84

Uitspraak

08/5370 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2008, 08/248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 januari 2009 heeft het Uwv een rapport van 30 januari 2009 van bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 22 december 2004 is appellant, na een onverzekerde periode van ruim een jaar, in dienst getreden bij [naam werkgever B.V.]. als fulltime matroos binnenvaart. Op 5 januari 2005 is appellant uitgevallen voor deze functie als gevolg van rechter knieklachten.

1.2. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat er geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, primair op de grond dat de klachten waarmee appellant is uitgevallen al bestonden bij aanvang van de verzekering. Subsidiair heeft het Uwv gesteld dat uitval binnen zes maanden kennelijk was te verwachten.

2. Bij besluit van 7 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het Uwv niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat de in geding zijnde gezondheidssituatie van appellant al bij aanvang van de verzekering moet hebben bestaan. Nu de gezondheidssituatie van appellant ertoe leidde dat hij bij aanvang van de verzekering minder dan 20% verdiencapaciteit had, kon het Uwv niet anders concluderen dan dat appellant bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was, zowel voor zijn eigen werk, als voor gangbare arbeid. Dat appellant wel een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan het feit dat op grond van de Wet WIA bij dezelfde gezondheidssituatie een andere beslissing kan worden genomen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat in artikel 44 van de ZW een bevoegdheid voor het Uwv is opgenomen, terwijl in de betreffende bepalingen van de Wet WIA is bepaald dat bij het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond de uitkering moet worden geweigerd.

4. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat tijdens het röntgenonderzoek van zijn knieën op 13 januari 2005 nauwelijks tot geen tekenen van gonarthrosis waren te zien. Voorts heeft appellant voor 2003 jarenlang zonder uitval als matroos/deksman gewerkt. Gelet hierop was uitval binnen een half jaar kennelijk niet aannemelijk. In dit verband verwijst appellant naar het oordeel van het Uwv in het kader van de ZW dat uitval wegens rechterknieklachten niet kennelijk te verwachten was.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Volgens artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA, ontstaat recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien:

(…)

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

(…).

Artikel 43 van de Wet WIA luidt, voor zover van belang: “Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

(…)

c. volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid;

(…)”.

Uit artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA, volgt dat in dit artikel onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat zijn om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA luidt:

“2. Artikel 43, onderdeel c, is van toepassing indien er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid:

a. die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering of ontstond tijdens een periode waarin de verzekerde op grond van artikel 64 Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing van de verplichtingen op grond van deze wet had wegens gemoedsbezwaren; of

b. die binnen een half jaar na het tijdstip van aanvang van de verzekering of na het tijdstip van eindiging van de periode, bedoeld in onderdeel a, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde op dat tijdstip het intreden van die arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.”

5.3. Voor zover de inhoud van het bestreden besluit onduidelijkheid laat over de grond waarop is geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wet WIA-uitkering, overweegt de Raad - onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting - dat het Uwv de weigering kennelijk heeft gebaseerd op artikel 46, tweede lid, onder a, van de Wet WIA. Dit blijkt naar het oordeel van de Raad eveneens genoegzaam uit de onderliggende rapportages van het bestreden besluit.

5.4.1. Anders dan artikel 30 van de WAO, waarin voor het Uwv een bevoegdheid is neergelegd, is in artikel 43 van de Wet WIA een aantal uitsluitingsgronden voor het recht op uitkering opgesomd. In geval een uitsluitingsgrond van toepassing is, ontstaat geen recht op uitkering.

5.4.2. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de Wet WIA leidt de Raad af, dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c. inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de door hem gevormde jurisprudentie over deze laatste bepaling ook voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c, en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding blijft houden.

5.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 17 mei 2006, LJN AX4595) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Voor de aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag gelegde artikelen 43, aanhef en onder c en 46 van de Wet WIA zal de Raad bezien of aan deze voorwaarden is voldaan.

5.6.1. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat dit het geval is. Tussen partijen is niet in geschil dat de datum van aanvang van de verzekering van appellant 22 december 2004 is. De primaire verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld zowel per datum aanvang van de verzekering als per datum einde wachttijd. Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid op die beide data en de Raad ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Uit het arbeidskundige rapport van 29 maart 2007 komt naar voren dat er zowel per datum aanvang van de verzekering als per datum einde wachttijd geen functies voor appellant geduid konden worden. Tevens was appellant al bij aanvang van de verzekering ongeschikt voor de maatgevende arbeid van matroos binnenvaart. Gelet hierop staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellant reeds bij aanvang van de verzekering op

22 december 2004 volledig arbeidsongeschikt was.

5.6. 2. De Raad ziet geen reden voor twijfel aan de conclusies in overweging 5.6.1 op grond van de uitslag van het röntgenonderzoek op 13 januari 2005, noch op grond van de ter zitting aangevoerde informatie dat er op 3 november 2009 wederom röntgenfoto’s zijn gemaakt van de knieën van appellant waarop geen tekenen van arthrose te zien zouden zijn. Daartoe overweegt de Raad dat hij zich kan vinden in de conclusie van bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe, zoals vervat in zijn aanvullende rapport van 30 januari 2009. Daarin merkt hij op dat de uitslag van het röntgenonderzoek op 13 januari 2005 in zoverre niet van belang is, omdat de orthopeed Raissadat in zijn brieven van 14 januari en 25 mei 2005 heeft aangegeven dat hij bij arthroscopie (de gouden standaard voor het aantonen van gewrichtsafwijkingen) een dermate ernstige mediale gonarthrose constateerde, dat dit hem noopte tot het plaatsen van een totale knieprothese rechts op korte termijn, ondanks de relatief jonge leeftijd van appellant. Gezien de bevindingen bij de arthroscopie moet op de datum in geding de arthrose al hebben bestaan en heeft de primaire verzekeringsarts volgens de bezwaarverzekeringsarts terecht geconcludeerd dat er bij aanvang van het dienstverband al sprake was van forse beperkingen in de kniebelastbaarheid.

5.6.3. De Raad ziet evenmin reden om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit op grond van het tot de gedingstukken behorende overzicht “Werkervaring Adbemar Uitzendbureau (uitdraai per 10 januari 2005)”, aangezien daaruit blijkt dat appellant vanaf december 2001 feitelijk slechts korte periodes achter elkaar werkzaam is geweest.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige, zoals was verzocht namens appellant. Daarbij overweegt de Raad nog, naar aanleiding van hetgeen daarover van de zijde van appellant is aangevoerd, dat in het onderhavige geval geen sprake is van schending van het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde beginsel van een eerlijk proces dan wel van schending van het - eveneens in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde - beginsel van equality of arms. De Raad verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 24 december 2008, LJN BG9468 en de in die uitspraak vermelde jurisprudentie.

5.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM