Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
09-709 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische grondslag. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en sorteerder, controleur (sbc-code 111340) zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante en de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/709 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 december 2008, 08/812 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2009. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als verkoopster toen zij zich met ingang van 21 november 2005 ziek meldde met psychische klachten.

1.2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 24 oktober 2007 onderzocht door de verzekeringsarts N.E.J.C. L’Espoir. In een rapport van dezelfde datum vermeldde L’Espoir dat er sprake was van surmenage/spanningsklachten die appellante niet kon doorbreken. Verder was er volgens L’Espoir geen sprake van een depressie. Zijn conclusie was dat er beperkingen zijn op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren en dat indien hiermee rekening gehouden wordt, appellante in staat geacht moet worden tot het vervullen van een volledige werkweek. L’Espoir heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 oktober 2007. De arbeidsdeskundige A.J.F.M. van Neer-Kok heeft blijkens een rapport van 13 november 2007 na functieduiding vastgesteld dat er geen loonverlies was. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2007 vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 19 november 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

1.3. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de ontvangen medische informatie van de bedrijfsartsen T.J. van den Broek en K. Kingsma, de behandelingsovereenkomst van 17 maart 2008 met hypnotherapeut M. Duineveld, de brief van 8 augustus 2007 van gezondheidsdeskundige M. Voncken en de brief van 27 maart 2008 van huisarts A.S. van Dam bij zijn beoordeling betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft Heijltjes in zijn rapport van 7 april 2008 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante. Heijltjes heeft de FML wel enigszins aangepast in verband met beperkende toelichtingen. Bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets heeft in zijn rapport van 21 april 2008 aangegeven dat de aanpassing van de FML geen consequenties heeft voor de geduide functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2008 (hierna: besteden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank was van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv met de in de FML van 7 april 2008 opgenomen beperkingen de klachten van appellante heeft onderschat. Habets heeft naar het oordeel van de rechtbank een inzichtelijke en toereikende motivering gegeven ten aanzien van de (mogelijke) overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies. Het verlies aan verdiencapaciteit bleef, ook na een correctie van de loonwaarde van de mediane functie, minder dan 35% en het Uwv heeft terecht besloten om appellante niet in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellante is van mening dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij in staat was de geduide functies te verrichten. Appellante is meer beperkt ten aanzien van concentratie, herinneren, doelmatig handelen, conflicten en emoties hanteren. Voorts zijn de geduide functies niet passend aangezien de functies een hoog handelingstempo vereisen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad is van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Naar het oordeel van de Raad zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat zij meer beperkt is ten aanzien van concentratie, herinneren, doelmatig handelen, conflicten en emoties hanteren. Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 24 oktober 2007 blijkt dat er geen aanwijzingen waren voor evidente psychopathologie. Tevens waren de aandacht en de concentratie goed te richten en te houden volgens de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat er geen objectieve medische gegevens zijn ingebracht op grond waarvan het standpunt van de verzekeringsarts als onjuist gezien zou moeten worden.

4.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en sorteerder, controleur (sbc-code 111340) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante. Met de arbeidskundige rapportage van 21 april 2008 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

4.3. Met betrekking tot de grond van appellante dat de geduide functies niet geschikt zouden zijn vanwege een hoog handelingstempo overweegt de Raad dat appellante op het aspect handelingstempo niet beperkt is geacht door de (bezwaar)verzekeringsarts zodat deze grond niet kan slagen. Verder is appellante niet beperkt geacht inzake concentratie en samenwerking, zodat niet kan worden gezegd dat de functies om die reden ongeschikt zijn.

5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

TM