Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-6633 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat de overgelegde assessments, die in feite een beroepskeuzetest betreffen, niet als nova aangemerkt kunnen worden. Deze assessments waren appellant bekend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellant deze niet had kunnen laten inbrengen voorafgaand aan het nemen van het besluit van 11 september 2003 of bij een mogelijk bezwaar daartegen. Van de medische keuring voorafgaand aan de indiensttreding van appellant, heeft appellant geen enkel bewijs overgelegd, waardoor deze grond niet getoetst kan worden en om die reden al niet kan slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6633 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 oktober 2008, 07/3582 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.M.B. Amting, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amting, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als wijktoezichthouder. Voor deze werkzaamheden is hij op 24 september 2002 uitgevallen ten gevolge van psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 11 september 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd op 18 september 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verstrekken omdat appellant op de datum van aanvang van de verzekering, 4 december 2000, reeds volledig arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft appellant destijds geen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij brief van 13 april 2007 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 11 september 2003.

1.4. Bij besluit van 7 mei 2007 heeft het Uwv beslist om niet terug te komen van het besluit van 11 september 2003 omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 12 november 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv ten onrechte niet het toetsingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegepast en dat het bestreden besluit, waarbij de aanwezigheid van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO is beoordeeld, berust op een verkeerde grondslag. Het bestreden besluit ontbeert volgens de rechtbank een deugdelijke motivering en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Nu het Uwv in het verweerschrift de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd en aangevuld, en het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb heeft toegepast, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in het verweerschrift op goede gronden heeft geconcludeerd dat de door appellant aangedragen rapportages inzake zijn assessments in 1999 en de door appellant gestelde medische (goed)keuring geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Daarbij wees appellant in het bijzonder op de ingebrachte assessments en de medische keuring waaruit blijkt dat appellant bij aanvang van de werkzaamheden in december 1999 volledig geschikt was en in staat werd geacht werkzaamheden te verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid aangehaalde beoordelingskader overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb wordt van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.2. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat de overgelegde assessments, die in feite een beroepskeuzetest betreffen, niet als nova aangemerkt kunnen worden. Deze assessments waren appellant bekend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellant deze niet had kunnen laten inbrengen voorafgaand aan het nemen van het besluit van 11 september 2003 of bij een mogelijk bezwaar daartegen. Van de medische keuring voorafgaand aan de indiensttreding van appellant, heeft appellant geen enkel bewijs overgelegd, waardoor deze grond niet getoetst kan worden en om die reden al niet kan slagen.

4.3. Het Uwv was, zoals de rechtbank ook oordeelde, gelet op het overwogene onder 4.1 en 4.2 bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 11 september 2003. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

TM