Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
07-4688 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad volgt zijn deskundige in diens oordeel dat de medische arbeidsbeperkingen van appellante in de FML juist zijn weergegeven. De geschiktheid van de appellante voorgehouden functies is voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4688 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2007, 06/7579 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante stelde hoger beroep in.

Het Uwv voerde verweer en overlegde het rapport van de bezwaarverzekeringsgeneeskundige van 20 september 2007.

De zitting vond plaats op 5 december 2008. Drs. P.F.G. Hermans vertegenwoordigde het Uwv en appellante verscheen in persoon.

Na heropening van het onderzoek verzocht de Raad psychiater prof. dr. E. Hoencamp om appellante te onderzoek en van verslag en advies te dienen. De Raad ontving zijn rapport op 26 juni 2009. Hoencamp rapporteerde op 26 juni 2009. Hij is het eens met de Functionele Mogelijkhedenlijst, met de kanttekening:

“zie echter ook mijn overwegingen rond het ontbreken van een urenbeperking. Ten tijde van de vraagstelling was urenbeperking mijns inziens wel een reëel punt”.

De passages waar Hoencamp naar verwijst luiden:

“Dat betrokkene op termijn mogelijk weer volledig inzetbaar kan worden, valt niet te betwisten. Het is echter de weg hoe daar te komen, het revalidatietraject. Met name in de beginfase (..) zal de overstap naar volledig werken, gezien de sociale en psychiatrische beperkingen, niet reëel te noemen zijn. In dat opzicht is er wel sprake van beperkingen ten gevolge van de psychiatrische problematiek (verminderde arbeidsduur)”.

De bezwaarverzekeringsarts gaf in haar rapport van 9 juli 2009 commentaar. Dat commentaar is aan Hoencamp voorgelegd.

De vervolgzitting vond plaats op 11 december 2009. Appellante was afwezig, namens het Uwv verscheen M.L. Steeksma.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep richt zich tegen het besluit van 31 augustus 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 10 april 2006 tot de beëindiging van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 juni 2006. De arbeidsongeschiktheid van appellante zou per 11 juni 2006 zijn afgenomen tot minder dan 15%.

2.1. De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die vaststelde. De juistheid hiervan bestrijden partijen niet. Zij komen op het volgende neer.

2.2. De verzekeringsarts onderzocht appellante op 17 februari 2006. Hij verkreeg ook informatie van de appellante behandelende psychiater Dijkstra, die schrijft dat hij appellante ambulant behandelt vanwege een depressieve stoornis, matig, recidiverend, gedeeltelijk in remissie. Volgens de verzekeringsarts ondervindt appellante door ziekte arbeidsbeperkingen en hij gaf deze weer in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts is het op basis van dossieronderzoek met die FML eens.

2.3. Aan de hand van de FML selecteerde de arbeidsdeskundige een aantal functies die appellante ondanks haar beperkingen kan verrichten en de bezwaararbeidsdeskundige gaf een toelichting op de geschiktheid van die functies.

3. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

4.1. De Raad verenigt zich met de aangevallen uitspraak.

4.2. De stelling van appellante dat zij door haar ziekte in het geheel niet kan werken, vindt geen steun in de beschikbare medische gegevens.

4.3. Hoencamp is het eens met de FML. De kanttekening die hij daarbij maakt, ziet, zo begrijpt de Raad, uitsluitend op de re-integratie en speelt bij de vaststelling van de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen geen doorslaggevende rol. De Raad volgt zijn deskundige in diens oordeel dat de medische arbeidsbeperkingen van appellante in de FML juist zijn weergegeven.

5. De geschiktheid van de appellante voorgehouden functies is voldoende onderbouwd.

6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) R.C. Stam

(get.) A.E. van Rooij

EF