Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-6435 WUBO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vergoeding van méér uren huishoudelijke hulp dan de al toegekende 4 uren per week. In hetgeen namens appellant is aangevoerd is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de observaties onvolledig of onjuist zouden zijn. In de rapportages zijn ook de activiteiten genoemd die als licht huishoudelijk werk worden gezien, zoals stofzuigen, boodschappen doen, opruimen en afwassen. Nu appellant zodanige lichte werkzaamheden nog kon verrichten, heeft verweerster op goede gronden geen aanleiding gezien om een vergoeding te geven voor méér uren dan de gebruikelijke 4 uren bij onvermogen om zwaar huishoudelijk hulp te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6435 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 16 oktober 2008, kenmerk BZ 8539, JZ/F70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Voor appellant is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1932, is door verweerster in 2002 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Appellant heeft naar aanleiding van zijn aanvraag van augustus 2007 van verweerster bij besluit van 19 december 2007, voor zover hier van belang, een vergoeding voor 4 uur huishoudelijke hulp per week toegekend gekregen.

1.2. In januari 2008 heeft appellant verweerster verzocht om de hem voor huishoudelijke hulp verleende vergoeding te verhogen naar 8 uur per week.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 12 juni 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant nog in staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en dat bij appellant ook geen sprake is van chaotisch gedrag in het huishouden of van zelfverwaarlozing, zodat geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van méér uren huishoudelijke hulp dan de al toegekende 4 uren per week.

1.3. In bezwaar en beroep is namens appellant het standpunt van verweerster bestreden. Aangevoerd is dat dit standpunt berust op een onzorgvuldige voorbereiding en mede daardoor onvoldoende is gemotiveerd.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Blijkens de gedingstukken berust het standpunt van verweerster op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen zijn tot stand gekomen op basis van een in maart 2008 over de leefsituatie van appellant opgemaakt aanvullend sociaal rapport en een rapport van medisch onderzoek van appellant door de geneeskundig adviseur G.M. van der Molen in november 2007, waarbij informatie uit de behandelende sector is betrokken. In die adviezen is in detail gemotiveerd neergelegd dat uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat appellant op grond van het geheel van zijn gezondheidsklachten beperkingen ondervindt bij het zware huishoudelijke werk maar niet buiten staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Verder is aangegeven dat uit het rapport van het medisch onderzoek van november 2007, dat werd ingesteld op grond van de eerdere aanvraag van appellant, blijkt dat uitvoerig aandacht is besteed aan het algeheel functioneren van appellant, ook in zijn huishouding, zodat voor een nader medisch onderzoek geen aanleiding bestond.

2.2. De Raad acht het standpunt van verweerster op grond van de voormelde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. De medische en sociale rapportages zijn van recente datum en daarin wordt uitvoerig ingegaan op de beperkingen die appellant ervaart bij het verrichten van huishoudelijk werk. In hetgeen namens appellant is aangevoerd is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de in deze rapportages opgenomen observaties onvolledig of onjuist zouden zijn. In die rapportages zijn ook de activiteiten genoemd die als licht huishoudelijk werk worden gezien, zoals stofzuigen, boodschappen doen, opruimen en afwassen. Nu appellant zodanige lichte werkzaamheden nog kon verrichten, heeft verweerster op goede gronden geen aanleiding gezien om een vergoeding te geven voor méér uren dan de gebruikelijke 4 uren bij onvermogen om zwaar huishoudelijk hulp te verrichten. Dat verweerster die 4 uren eerder al, op basis van de verruiming in artikel 33a van de Wet en het gevoerde begunstigende beleid ten aanzien van personen van 70 jaar en ouder, zónder medische toets aan appellant had toegekend, doet hieraan niet af.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.A. van Amerongen.

HD