Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
09-1491 WAJONG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Medische beperkingen niet onderschat. Toereikende arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1491 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 februari 2009, 07/939 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P.G.M. Schreurs, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft bij wijze van verweer een rapport van de bezwaarverzekeringsarts mr.drs. E.J.M. van Paridon van 23 maart 2006 overgelegd.

De gemachtigde van appellante heeft op 25 november 2009 een arbeidsdiagnostisch rapport van 11 november 2009 overgelegd. Hierop heeft het Uwv gereageerd door overlegging van een rapport van Van Paridon van 7 december 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1988, heeft een uitkering ingevolge de

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) aangevraagd.

1.2. In het kader van de beoordeling van haar aanvraag is appellante op 10 april 2006 onderzocht door de arts M. Susnja. Deze beschikte over informatie van de GZ-psycholoog K. Venselaar van december 2005, die concludeerde dat appellante langdurig lichamelijke klachten zonder duidelijk somatische achtergrond had en dat deze klachten sinds drie jaar voortdurend aanwezig waren en in intensiteit toenamen. Voorts was beschikbaar informatie van reumatoloog dr. H.L.M. Brus van 11 augustus 2005, die concludeerde tot fybromyalgie en appellante verwees naar een revalidatiearts, die op 17 november 2005 aangaf dat appellante in groep 5 van de basisschool pijn in de benen kreeg, dat dit aanvankelijk als groeipijn werd geduid en dat uiteindelijk de ziekte van Pfeiffer werd gediagnosticeerd. De revalidatiearts sprak van chronisch gegeneraliseerde pijn in het kader van fybromyalgie. Susnja vermeldde in een rapport van 10 april 2006 de toen actuele klachten en het dagverhaal, deed lichamelijk en psychisch onderzoek, stelde de diagnose fybromyalgie en concludeerde dat bij appellante sprake was van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. De beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 mei 2006. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat er geen loonverlies was. Hierna weigerde het Uwv bij besluit van 7 september 2006 aan appellante met ingang van 23 maart 2006 de gevraagde WAJONG-uitkering omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

2. De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans concludeerde in een rapport van 23 november 2006 dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de fysieke en cognitief-mentale beperkingen, die aan het ziektebeeld van appellante kunnen worden toegeschreven. Voorts oordeelde Offermans dat de claim in het bezwaarschrift dat bij appellante sprake was van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, geen onderbouwing vond vanuit de bevindingen van Susnja of de informatie van de appellante behandelend sector. Verder wees Offermans erop dat Susnja wel degelijk psychisch onderzoek heeft verricht. Vervolgens gaf de bezwaararbeidsdeskundige op 17 januari 2007 een nadere toelichting op een aantal aspecten van de geduide functies. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 18 januari 2007 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2006 ongegrond.

3.1. In beroep tegen het besluit van 18 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) legde appellante informatie over van de GZ-psycholoog J.P.M. Lockefeer van 26 maart 2007, die Venselaar als behandelaar was opgevolgd. Lockefeer gaf aan dat het doel van de behandeling was opbouw van de conditie op mentaal en fysiek vlak aan de hand van een tijdgestuurd in plaats van een pijngestuurd activiteitenprogramma. Volgens Lockefeer was er geen sprake van een depressie maar leidde de keuringsprocedure tot veel spanningen en gevoelens van somberheid. In beroep kwam voorts informatie beschikbaar van de internist-infectioloog drs. H.J.M. ter Hofstede van 8 januari en 1 april 2008. Deze gaf aan dat diverse klachten van appellante sinds 1998 mogelijk samenhangen met tekenbeten van 2 jaar daarvoor en dat al haar klachten kunnen zijn voortgekomen uit de ziekte van Lyme, waarvoor het bloedonderzoek, dat bij appellante niet afwijkend was, evenwel onbetrouwbaar is om deze ziekte op te sporen. Volgens Ter Hofstede kan het bij appellante gaan om zowel een persisterende infectie als een post Lymesyndroom. Hij verwachtte niet dat appellante volledig arbeidsgeschikt zou worden en dat er waarschijnlijk een energetische beperking en een verminderde inspanningstolerantie in verband met spier- en gewrichtspijn zullen blijven bestaan.

3.2. Offermans merkte in reactie op Lockefeer op 17 april 2007 op dat haar informatie inzicht bood in de aard en het beloop van de behandeling, maar ten opzichte van het onderzoek van Susnja geen nieuwe feiten bevatte. Namens het Uwv merkte de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz vervolgens in rapporten van 31 januari en 26 augustus 2008 naar aanleiding van de informatie van Ter Hofstede op – samengevat weergegeven - dat deze een mogelijke verklaring voor de klachten van appellante heeft gevonden, maar dat er geen medisch bewijs is dat appellante lijdt aan de ziekte van Lyme of een post Lymesyndroom. Voorts stelde Deitz dat, ook als de verklaring van Ter Hofstede wordt gevolgd, deze geen andere of meer beperkingen rechtvaardigt, nu in de FML beperkingen zijn gesteld voor psychisch belastende factoren en aan zwaardere fysieke arbeid.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

4.2. De rechtbank oordeelde wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit dat moet worden aangenomen dat Susnja en Offermans bij appellante de medische beperkingen ten tijde van de datum in geding niet hebben onderschat. Met name onderschreef de rechtbank de in overweging 3.2 vermelde reacties van Offermans en Deitz op de informatie van Lockefeer en Ter Hofstede.

4.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelde de rechtbank vast dat alle signaleringen in de arbeidskundige rapporten van 27 juli 2006 en 17 januari 2007 voldoende zijn toegelicht. Naar aanleiding van de door Offermans op 28 maart 2007 aangebrachte correctie op de FML in verband met, zoals Offermans op deze datum aangaf, in de oorspronkelijke FML opgenomen beperkende toelichtingen bij normaalwaarden, stelde de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 30 maart 2007 vast dat er geen redenen waren de functies te herzien. Voorts achtte de rechtbank de ter zitting van 20 juni 2008 gegeven toelichting op een vraagstelling van de rechtbank inzake de aangepaste FML van 28 maart 2007 toereikend.

4.4. Omdat, gezien overweging 4.3, het bestreden besluit pas in de beroepsfase van een toereikende onderbouwing is voorzien, besliste de rechtbank als in overweging 4.1 is weergegeven.

5. In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen standpunt in essentie herhaald. Het hoger beroep komt er in wezen op neer dat vanwege het Uwv haar beperkingen op de datum in geding zijn onderschat.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat de beschikbare informatie ten tijde van de datum in geding, alsmede het onderzoek van Susnja geen aanknopingspunten bieden voor het volgen van het standpunt van appellante omtrent de door haar in acht te nemen beperkingen voor zover deze verder zouden strekken dan de beperkingen, vastgelegd in de (aangepaste) FML. Die aanknopingspunten ziet de Raad ook niet in de in beroep overgelegde informatie van Ter Hofstede. Nog daargelaten dat volgens deze informatie de ziekte van Lyme niet met zekerheid kon worden vastgesteld, valt met name uit de brief van Ter Hofstede van 1 april 2008 niet af te leiden dat de daarin genoemde beperkingen zwaarder zijn dan de in de (aangepaste) FML neergelegde beperkingen. Dit valt ook niet aan te nemen op grond van de samenvatting van de zich niet in het dossier bevindende brieven van Ter Hofstede van 20 november 2007 en 16 juni 2009, welke samenvatting is opgenomen in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde arbeidsdiagnostisch rapport. Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een psychiater als deskundige voor het instellen van een onderzoek, nu er, zoals in overweging 3.1 is vermeld, volgens Lockefeer geen sprake was van een depressie. Die aanleiding ziet de Raad ook niet voor een door een deskundige te verrichten lichamelijk onderzoek.

6.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit zijn in hoger beroep geen afzonderlijke gronden naar voren gebracht tegen de medische geschiktheid van de geduide functies. De Raad heeft geen aanknopingspunten gezien het daarover gegeven oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

TM