Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
09-2312 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Terugvordering. De rechtbank heeft de in hoger beroep herhaalde gronden van appellante op juiste wijze besproken en op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2312 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 maart 2009, 08/445

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.H.M. Koers, advocaat te Doesburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 11 februari 2008 – waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar de ingangsdatum van de intrekking van appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) nader heeft vastgesteld op 10 juli 2007 en de terugvordering van onverschuldigd uitbetaalde voorschotten over de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 tot een bedrag van € 9.990,48 heeft gehandhaafd – ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft in hoger beroep hoofdzakelijk gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. Appellante heeft in hoger beroep deze gronden slechts herhaald en niet aangegeven waarom naar haar opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is.

3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden van appellante op juiste wijze besproken en op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

3.1. De door appellante ingezonden nadere brief van de behandelend psychiater S. Güner, gedateerd 9 december 2009, vermeldt weliswaar een gewijzigde diagnose ten opzichte van zijn eerdere rapportage van 19 juni 2008, maar bevat (opnieuw) geen afdoende motivering voor de stelling dat appellante volledig arbeidsongeschikt was vanaf het starten van haar behandeling in 2004. De Raad verwijst naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2009. Ook de Raad ziet geen aanleiding een onafhankelijk deskundige te benoemen.

3.2. Met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 heeft appellante pas in hoger beroep voor het eerst de hoogte van het bedrag betwist. Zij stelt zich op het standpunt dat geen rekening is gehouden met het feit dat zij in die periode recht had op een uitkering, die gebaseerd was op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Voorts gaat zij ervan uit dat er ten onrechte geen verrekening van een bedrag ad ongeveer € 3.200,-- aan WW-uitkering over de periode juni tot september 2006 heeft plaatsgevonden en dat is verzuimd rekening te houden met een bedrag van € 500,-- dat reeds is voldaan.

3.3. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit specificatie van 5 februari 2008 voldoende duidelijk dat de terugvordering is beperkt tot de onverschuldigd betaaldeWAO-voorschotten, die aan appellante zijn verleend in de periode van 9 juni 2006 tot 1 juni 2007 in aanvulling op haar uitkering. De verrekening van WW-rechten en van hetgeen reeds terugbetaald is valt buiten de omvang van het thans aan de orde zijnde geschil.

4. Uit de overwegingen 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR