Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-2043 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het College heeft de op de rekeningen gestorte bedragen terecht aan appellant toegerekend. Voor zover appellant heeft gesteld dat het gaat om giften voor bijzondere doeleinden, die uit een oogpunt van bijstandsverlening buiten beschouwing moeten blijven, faalt die stelling reeds omdat daarvoor onvoldoende bewijs is aangedragen. Ook heeft de Raad in de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de gestorte bedragen niet als inkomsten in aanmerking hadden mogen worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 56

Uitspraak

08/2043 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 februari 2008, 07/5205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Voor appellant is verschenen mr. H.M. de Roo, kantoorgenoot van mr. Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Kreukniet, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 1985 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Per 22 juni 2005 is aan zijn echtgenote, van Filippijnse nationaliteit, een verblijfsvergunning verleend. Vanaf die datum tot 1 november 2006 is de bijstand verleend naar de norm voor gehuwden. Sedert laatstgenoemde datum is de bijstand weer verleend naar de norm voor een alleenstaande. Uit een melding van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat appellant, naast een bij het College bekende rekening bij de ABN-Amrobank, beschikte over rekeningen bij de Rabobank, de Postbank en International Card Services die hij niet aan het College had opgegeven. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 november 2006. Daarin is aangegeven dat in de periode van februari 2004 tot en met augustus 2005 op de verzwegen rekeningen aanzienlijke bedragen in contanten zijn gestort.

1.2. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 14 november 2006 de bijstand over de maanden februari, april, mei, juli, augustus, september en november 2004 en over de maanden mei, juli en augustus 2005 herzien door alsnog de gestorte bedragen als inkomsten in mindering te brengen op de uitkering, en de bijstand over de maand oktober 2004 ingetrokken. De over de genoemde maanden gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 8.074,24 (bruto) van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellant geen melding heeft gemaakt van de bankrekeningen en de daarop ontvangen bedragen. Zijn stellingen komen erop neer dat het hier vooral ging om giften en bijdragen voor het levensonderhoud van zijn echtgenote, die tot 22 juni 2005 niet over een verblijfstitel beschikte en om die reden, gelet op artikel 11 van de WWB, geen recht op bijstand had. Ook heeft zijn echtgenote, om te kunnen leven, diverse bezittingen moeten verkopen en de opbrengsten daarvan op de rekening gestort.

4.2. Naar het oordeel van de Raad kan het door appellant gestelde er niet aan afdoen dat hij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid (oud), van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Reeds omdat het hier gaat om op zijn naam gestelde bankrekeningen, had appellant die rekeningen en de daarop contant gestorte verhoudingsgewijs aanzienlijke bedragen bij het College moeten melden.

4.3. Ingevolge artikel 32, derde lid, eerste volzin, van de WWB wordt, indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voorzover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. In het licht van deze wetsbepaling verstaat de Raad het onder 4.1 weergegeven betoog van appellant aldus, dat de op de rekeningen ontvangen bedragen niet aan hem maar aan zijn (niet-rechthebbende) echtgenote moeten worden toegerekend en om die reden geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten.

4.4. Dit betoog treft geen doel. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van zijn vermogen en dat hij daarover daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. In het verlengde hiervan moeten de afzonderlijke, in contanten op zo'n rekening gestorte bedragen behoudens tegenbewijs als middelen van de betrokkene worden aangemerkt. In dit tegenbewijs is appellant niet geslaagd, nu zijn verklaringen omtrent de herkomst van de stortingen in onvoldoende mate door objectieve en verifieerbare bescheiden of andere gegevens worden ondersteund.

4.5. Het vorenstaande brengt met zich dat het College de op de rekeningen gestorte bedragen terecht aan appellant heeft toegerekend. Voor zover appellant heeft gesteld dat het gaat om giften voor bijzondere doeleinden, die uit een oogpunt van bijstandsverlening buiten beschouwing moeten blijven, faalt die stelling reeds omdat daarvoor onvoldoende bewijs is aangedragen. Ook overigens heeft de Raad in de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de gestorte bedragen niet als inkomsten in aanmerking hadden mogen worden genomen.

4.6. Ter zitting is namens appellant met nadruk gewezen op de bewijsnood waarin hij verkeert. Deze bewijsnood heeft hij evenwel over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellant - in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting - heeft nagelaten het College tijdig en volledig in te lichten over de op zijn naam gestelde middelen. Daarmee is aan het College de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden. Dat controle en bijsturing achteraf op problemen stuiten, zo niet onmogelijk worden, is een voorzienbaar gevolg van het inlichtingenverzuim en moet voor rekening en risico van de nalatige blijven.

4.7. Het College was derhalve bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien en in te trekken. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met het ter zake gevoerde beleid. In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken.

4.8. Hieruit volgt dat het College tevens bevoegd was om de kosten van de teveel betaalde bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellant terug te vorderen. Tegen de berekening van het terug te vorderen bedrag zijn geen afzonderlijke beroepsgronden gericht. De Raad stelt verder vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gevoerde beleid. Appellant heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd dat het College daarin aanleiding had moeten vinden om, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van dat beleid af te wijken.

4.9. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) B.E. Giesen.

mm