Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
09-1425 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een buitengewoon pensioen op grond van de Wet in verband met door appellant gestelde verzetsactiviteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met name is van belang dat zowel de vader als de oom van appellant blijkens de gegevens in hun dossier de betreffende activiteiten van appellant niet hebben genoemd. De Raad merkt op dat, voor zover sprake zou zijn geweest van het verrichten van enige hand- en spandiensten door appellant, dit onvoldoende is om verzet in de zin van de Wet aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1425 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Australië (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 december 2008, kenmerk BZ 2007-16, JZ/A60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1927, heeft in maart 2006 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een buitengewoon pensioen op grond van de Wet in verband met door hem gestelde verzetsactiviteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hierop is bij besluit van 7 maart 2007 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Namens appellant is in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat hij wel degelijk gerekend moet worden tot de deelnemers aan het verzet nu hij bonkaarten heeft opgehaald in Nijmegen en bonkaarten heeft weggebracht naar ondergedoken Joden, het blad De Waarheid heeft verspreid, pamfletten heeft geplakt, papieren heeft weggebracht naar Purmerend en twee keer een revolver naar Ilpendam heeft gebracht.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De aanvraag van appellant is gebaseerd op de onder 2 genoemde activiteiten. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij nog steeds veel last heeft van zijn oorlogs-verleden. Bij het bestreden besluit is het standpunt gehandhaafd dat van de door appellant gestelde activiteiten geen bevestiging is verkregen. Verweerster heeft de dossiers geraadpleegd van de vader van appellant, [naam vader] en zijn oom [naam oom] en nader onderzoek gedaan naar zes door appellant genoemde personen. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft desgevraagd aangegeven dat de vader van appellant bekend staat als een actieve en bonafide verzetsman, hetgeen de mogelijkheid vergroot dat appellant destijds “de Waarheid” en “de Vrijheid” heeft verspreid, zij het dat laatstgenoemd blad pas in1944 verscheen en appellant die verspreiding plaatst in 1942. Ook het vervoer van kleine wapens vanuit Amsterdam naar Ilpendam is als zodanig door het NIOD mogelijk geacht. Inhoudelijke informatie heeft het NIOD hierover echter niet kunnen verschaffen. De Stichting 1940-1945 heeft in een verzets- en waardigheidsverklaring van 12 januari 2007 aangegeven dat niet verklaard kan worden dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet en dat het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet niet van toepassing is nu van omstandigheden als bedoeld in het tweede lid niet is gebleken.

4.2. In artikel 24, derde lid, van de Wet is bepaald dat degene die een aanvraag heeft ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen krachtens de Wet, moet kunnen wijzen op een verklaring van de Stichting 1940-1945, waaruit blijkt dat hij heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet en/of tot één van de categorieën van personen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is.Op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wet kan verweerster, indien de Stichting 1940-1945 een voor de betrokkene negatieve verklaring heeft afgegeven, niettemin buitengewoon pensioen verlenen, indien naar haar oordeel de betrokkene daarop anders aanspraak had kunnen maken.Nu het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerster, dient de Raad na te gaan of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

4.3. De Raad kan verweerster volgen in het standpunt dat hoewel denkbaar is dat appellant ondanks zijn jonge leeftijd tijdens de oorlogsjaren verzetsactiviteiten heeft verricht voor zijn vader en oom, die beiden actief waren in het verzet, van enige objectivering hiervan niet is gebleken. Met name is van belang dat zowel de vader als de oom van appellant blijkens de gegevens in hun dossier de betreffende activiteiten van appellant niet hebben genoemd. Onderzoek door verweerster naar alle andere door appellant genoemde personen heeft evenmin bevestiging hiervan opgeleverd. De Raad merkt hierbij nog op dat, voor zover sprake zou zijn geweest van het verrichten van enige hand- en spandiensten door appellant, dit onvoldoende is om verzet in de zin van de Wet aan te nemen.

4.4. Ten aanzien van de grief van appellant dat hij in bezwaar gehoord had willen worden overweegt de Raad dat appellant blijkens de gedingstukken op 16 mei 2007 heeft verzocht om telefonisch te worden gehoord, hetgeen ook is gebeurd op 7 november 2008.

4.5. Gezien het vorenstaande treft het beroep van appellant geen doel en houdt het bestreden besluit in rechte stand.

5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.A. van Amerongen.

HD