Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
09-442 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Voldoende zorgvuldig onderzoek UWV naar het aantal weken waarin door appellante is gewerkt. De Raad is, evenals de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het werkrooster van de werkgever geen juiste weergave is van het aantal weken waarin door haar is gewerkt. De Raad sluit zich in zoverre aan bij de overwegingen van de rechtbank en neemt die over. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de referteperiode in ten minste 26 weken arbeid als werknemer heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/442 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2009, 08/655 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is met ingang van 2 mei 2007 voor de duur van zes maanden in dienst getreden van Supermarkt [naam supermarkt]. te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Naar aanleiding van een geschil met de werkgever over haar ontslagname met ingang van 22 oktober 2007 hebben appellante en de werkgever op 9 november 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten, ingevolge welke appellante tot 1 november 2007 in dienst is geweest en loon heeft ontvangen.

1.2. Appellante had op 1 november 2007 al een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het Uwv haar het recht op een WW-uitkering met ingang van 22 oktober 2007 ontzegd, omdat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat zij in de 36 weken voor het intreden van haar werkloosheid in ten minste 26 weken heeft gewerkt. Bij besluit van 21 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2007 ongegrond verklaard onder wijziging van de eerste werkloosheidsdag in 1 november 2007. In het bestreden besluit heeft het Uwv de referteperiode in verband met ziekte van appellante in de weken 41 en 42 van 2006 bepaald op de periode van 8 februari 2007 tot en met 31 oktober 2007. Volgens het Uwv heeft appellante in die periode slechts in 25 weken gewerkt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog met betrekking tot de stelling van appellante dat zij niet ziek is geweest en dat de werkstaten van de werkgever waarop het Uwv zijn andersluidende standpunt heeft gebaseerd niet juist zijn, het volgende:

“De rechtbank acht het feit dat de ziektedagen van eiseres niet zijn opgenomen in de salarisspecificaties niet van doorslaggevende betekenis. De werkgever is immers niet verplicht om ziektedagen te registreren in de salarisspecificaties. Uit de afwezigheid van ziektedagen op de salarisspecificaties kan dus niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat er geen ziektedagen zijn geweest. De werkgever van eiseres heeft er klaarblijkelijk voor gekozen de ziektedagen bij te houden in het werkrooster. In het werkrooster zijn verder de gewerkte uren en de vakantiedagen opgenomen. Eiseres heeft de juistheid van de in het werkrooster opgenomen ziektedagen en de duur van de door haar genoten vakantie uitdrukkelijk betwist. Zij heeft echter noch in bezwaar noch in beroep nadere stukken of getuigenverklaringen overgelegd die deze blote betwisting kunnen onderbouwen, hetgeen wel van haar mocht worden verwacht, temeer nu zij zelf in haar brief van 22 oktober 2007 aan de werkgever rept over een ontslag na een ziekteperiode. Het enkele vermoeden van eiseres dat de werkgever, gelet op zijn opstelling in het arbeidsconflict, geknoeid zou hebben met de werkstaten, is onvoldoende. Ter terechtzitting heeft eiseres verklaard dat de brief van 22 oktober 2007 slechts zag op haar laatste werkdag, maandag 22 oktober 2007. Zij zou zich op die dag ziek hebben gevoeld, maar mocht van de werkgever niet naar huis, ook al had haar huisarts haar geadviseerd dat zij vijf dagen thuis moest blijven. In de periode daaraan voorafgaand - waarin zij volgens het werkrooster ziek was - zou eiseres volgens haar eigen verklaring gewoon gewerkt hebben. Gelet op de tekst van de brief en de afwezigheid van stukken die de stelling van eiseres kunnen ondersteunen, acht de rechtbank deze uitleg echter niet plausibel. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het werkrooster van de werkgever geen juiste weergave is van de door eiseres gewerkte dagen.”

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat het door de werkgever aan het Uwv ter beschikking gestelde werkrooster, waarin is aangegeven dat zij in de weken 41 en 42 van 2007 wegens ziekte niet heeft gewerkt, niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Appellante heeft desgevraagd aangegeven dat zij haar standpunt niet kan onderbouwen met getuigenverklaringen of anderszins.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1. In artikel 17 van de WW is bepaald dat recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Om te kunnen vaststellen of appellante aan deze referte-eis heeft voldaan heeft het Uwv informatie ingewonnen bij de werkgever. Deze heeft het Uwv de salarisspecificaties van appellante van mei tot en met november 2007 toegestuurd, evenals het werkrooster van appellante over de weken 18 tot en met 42. Uit dit werkrooster blijkt dat appellante in de weken 41 en 42 wegens ziekte niet heeft gewerkt. Omdat die ziekteperiode niet was terug te vinden in de salarisspecificaties heeft het Uwv de werkgever om nadere informatie gevraagd. Daarop heeft de werkgever te kennen gegeven dat het niet verwerken van de ziektedagen en -uren in de salarisspecificaties een administratieve fout moet zijn, en dat hij de ziektes bijhoudt in de werkstaten. De Raad is van oordeel dat het Uwv aldus een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar het aantal weken waarin door appellante is gewerkt en dat er voor het Uwv geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van die informatie. Het lag vervolgens op de weg van appellante, die de juistheid van de informatie van de werkgever uitdrukkelijk heeft ontkend, om haar standpunt dienaangaande aannemelijk te maken.

4.2. Nu appellante ook in de procedure in hoger beroep haar stelling niet met nadere gegevens heeft onderbouwd komt de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het werkrooster van de werkgever geen juiste weergave is van het aantal weken waarin door haar is gewerkt. De Raad sluit zich in zoverre aan bij de overwegingen van de rechtbank en neemt die over. Aangezien appellante ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de referteperiode in ten minste 26 weken arbeid als werknemer heeft verricht kan de Raad niet anders concluderen dan dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv appellante terecht het recht op een WW-uitkering met ingang van 1 november 2007 heeft ontzegd.

4.3. Het vorenstaande leidt tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I. Mos.

BvW