Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-3070 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ontheffing van maandelijkse verplichting de maandverklaringen in te vullen en in te leveren. Appellant is verhuisd naar andere gemeente: geen procesbelang (meer).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/39

Uitspraak

08/3070 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 april 2008, 07/546 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 23 juni 2009 heeft mr. B. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Dieters, de Raad meegedeeld zich als opvolgend gemachtigde voor appellante te stellen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Partijen zijn - na voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving met ingang van 19 oktober 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van de gemeente Groningen. Hij was op medische gronden vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Appellant heeft in januari 2007 het College verzocht hem op medische gronden eveneens te ontheffen van de verplichting de maandverklaringen in te vullen en in te leveren bij de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College dit verzoek afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant gebruik van derden kan maken om hem te helpen bij het invullen en inleveren van de maandelijkse verklaring. Volgens het College zijn er geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen.

1.2. Het College heeft het tegen het besluit van 29 januari 2007 gemaakte bezwaar bij besluit van 24 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich, gelet op het verweerschrift, gesteld voor de vraag of appellant nog procesbelang heeft bij een beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak. In dit verband is het volgende van belang.

4.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van hoger beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.3. Appellant beoogt met het hoger beroep dat hij wordt ontheven van de verplichting de maandverklaringen in te leveren. Gebleken is dat appellant sinds 15 november 2007 ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie van een andere gemeente dan de gemeente Groningen, zodat hij jegens het College geen recht op bijstand meer heeft. Uit het verweerschrift van het College blijkt voorts dat het College de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2007 heeft beƫindigd wegens het vertrek van appellant uit de gemeente Groningen. Volgens het College heeft appellant in de periode van 29 januari 2007 tot 2 november 2007 zijn volledige uitkering ontvangen en is hem in deze periode geen maatregel opgelegd in verband met het niet inleveren van zijn maandverklaringen. Appellant heeft dit niet betwist.

4.4. Uit het voorgaande blijkt dat datgene wat appellant met zijn hoger beroep beoogt te bereiken geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant geen procesbelang (meer) heeft en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

RB