Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0090

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
09-2331 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zijn werk. Geschiktheid voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Geen aanleiding af te wijken van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2331 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2009, 08/454 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. De Bruin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerkster. Op 24 juli 2003 heeft zij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met nekklachten en klachten aan de rechter heup. Per einde wachttijd 21 juli 2004 is aan appellante geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Aansluitend ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Appellante werd destijds ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen de functies van o.a. machinaal metaalbewerker, vleeswarenmaker en productiemedewerkster industrie te vervullen waardoor zij niet arbeidsongeschikt geacht werd in de zin van de WAO.

1.2. Op 21 april 2005 meldt zij zich weer ziek met klachten aan de nek, schouder en rug. Daarnaast is sprake van psychische klachten en klachten aan de rechter heup. In verband hiermee is zij diverse malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, voor het laatst op 6 april 2006. Op basis van de bevindingen tijdens het spreekuur en de verkregen

informatie van de Stichting Illiminatus heeft de verzekeringsarts appellante per 18 april 2006 hersteld verklaard voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 6 april 2006 beslist dat appellante met ingang van 18 april 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv -in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 19 december 2007- bij besluit van 20 december 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het op haar verzoek door psychiater E.F. van Ittersum als deskundige op 26 november 2008 uitgebrachte rapport. De deskundige is, aldus de rechtbank, tot de conclusie gekomen dat appellante op

18 april 2006 niet ongeschikt was voor haar arbeid in de zin van de Ziektewet.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank de subjectieve beleving van appellante ten onrechte terzijde heeft geschoven. Ook het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige vindt zijn basis in subjectieve meningen; er zijn geen tests afgenomen door de psychiater aan de hand waarvan een objectief beeld naar voren zou kunnen komen. Zij acht zich wegens fysieke en psychische beperkingen niet in staat te werken. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante nog een reactie overgelegd van 8 december 2009 van de behandelend psychiater van I-Psy,

dr. G. Mirri en Y. Ilhan, arts-assisstent psychiatrie op het verslag van het onderzoek van de deskundige psychiater Van Ittersum. Op basis daarvan heeft hij gevraagd om een aanvullend onderzoek door een neuroloog of internist aangezien er ook sprake is van schildklierproblematiek.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De gemachtigde van het Uwv heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de reactie van de behandelend psychiater dr. Mirri. De Raad zal dit stuk dan ook in zijn beoordeling betrekken.

4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad heeft hierbij overwogen dat het door de deskundige uitgebrachte rapport blijk geeft van een volledig en zorgvuldig onderzoek en dat de deskundige zijn standpunt inzichtelijk heeft gemotiveerd. Het feit dat geen tests zijn afgenomen doet hier naar het oordeel van de Raad niet aan af. De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat de subjectieve beleving van appellante niet van belang is. De Raad ziet verder in de reactie van psychiater Mirri geen aanleiding voor een nader onderzoek door een neuroloog of internist. De Raad overweegt in dit verband dat deskundige Van Ittersum blijkens het verslag van zijn onderzoek op de hoogte was van de medische gegevens in het dossier met daarin de informatie van de Stichting Illuminatus en van arts-assistent psychiatrie Y. Ilhan van 20 april 2006 waarin reeds aangegeven is dat er sprake is van schildklierproblematiek. Desondanks heeft de deskundige Van Ittersum geen aanleiding gezien een nader onderzoek door een andere specialist noodzakelijk te achten. De Raad ziet geen reden de deskundige Van Ittersum daarin niet te volgen.

5. Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL