Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0089

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-5050 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Voldoende medische grondslag. Aan de rapporten van het Instituut Psychosofia kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5050 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juli 2008, 07/5127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 24 september 1992 wegens rugklachten ziek gemeld voor zijn werk als agrarisch medewerker. Nadien zijn psychische klachten voorop komen te staan. Na het voltooien van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan dat besluit lag de overweging ten grondslag dat appellant in staat geacht moest worden om met inachtneming van zijn medische beperkingen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 oktober 2003, een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.

1.2. Aan appellant is daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft appellant zich op 20 november 2006 ziek gemeld in verband met een operatie aan het geslachtsorgaan. Op 21 maart 2007 is hij door de verzekeringsarts C. van der Does onderzocht. Deze arts was van oordeel dat de door appellant ondervonden gezondheidsproblemen met betrekking tot voormelde operatie tijdens normale omstandigheden, in sociale contacten en op de werkvloer geen beperkingen opleveren. Daarnaast stelde de arts vast dat appellant geen pijngedrag had, zich normaal bewoog, adequaat reageerde en hoewel hij wat emotioneel was geworden, vertoonde appellant zeker geen verschijnselen van psychopathologie. Op grond van deze bevindingen kwam de verzekeringsarts tot de conclusie dat appellant met ingang van

22 maart 2007 weer geschikt was voor de hem destijds in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv appellant bij besluit van 21 maart 2007 met ingang van eerder genoemde datum ziekengeld geweigerd.

1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts, F.L. van Duijn, na dossieronderzoek, het bijwonen van de hoorzitting gevolgd door eigen onderzoek op 15 mei 2007 en kennisneming van de door appellant ingebrachte gegevens, de conclusie getrokken dat de primaire verzekeringsarts op goede gronden appellant geschikt heeft bevonden voor de destijds in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. De gezondheidsklachten van appellant en de hem voorgeschreven medicijnen gaven de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om appellant meer beperkt te achten. Bij besluit van 4 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om aan het oordeel van de verzekeringsartsen te twijfelen en dat van de zijde van appellant geen medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht op de zaak werpen op grond waarvan het Uwv tot een andersluidend oordeel had moeten komen. De stellingen van appellant, ondersteund door rapporten van het Instituut Psychosofia, treffen volgens de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie daaromtrent van deze Raad, geen doel.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 19 van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn werk en niet in enig werk heeft hervat, onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW verstaan gangbare arbeid, zoals nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

3.2. In dit geding staat de vraag centraal of de belastbaarheid van appellant op 22 maart 2007 zodanig was dat hij (weer) in staat was ten minste één van de destijds voor hem geselecteerde functies te vervullen. Daarbij stelt de Raad voorop dat het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering zoals hierboven genoemd in punt 1.1 met zijn uitspraak van 12 oktober 2006 rechtens vaststaat. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals vastgesteld door de verzekeringsarts omschreven in de FML van 28 oktober 2003, alsmede van de geschiktheid van appellant voor de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan.

3.3. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering hebben de verzekeringsarts Van der Does en de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn de medische toestand van appellant op 22 maart 2007 vergeleken met zijn belastbaarheid op 12 februari 2004, zoals beschreven in de FML. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze artsen op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor de in het kader van de WAO geduide functies. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de Raad in inmiddels vaste jurisprudentie heeft bepaald, kan aan de rapporten van het Instituut Psychosofia niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

3.4. De Raad volgt dan ook het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn, zoals verwoord in zijn rapportage van 15 mei 2007 en nader aangevuld op 25 oktober 2007, waaruit blijkt dat het klachtenbeeld van appellant, te weten hoofdpijn, rug- en knieklachten, reeds bestaande klachten betreft die geen relevante wijziging met het verleden laten zien en dat met de psychische klachten, die reeds aanwezig waren in het kader van de WAO-beoordeling rekening is gehouden. Voor de stelling van appellant dat hij vanwege zijn psychische klachten niet in staat is de geduide functies te verrichten is in de medische stukken geen steun te vinden. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 22 maart 2007 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Dit betekent dat de grieven van appellant geen doel treffen en het Uwv terecht met ingang van genoemde datum appellant een verdere uitkering ingevolge de ZW heeft geweigerd.

4. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR