Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-6702 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer ZW-uitkering, omdat appellant ondanks zijn rugklachten en beperkingen geschikt is voor zijn werk als cad-tekenaar, met inbegrip van woon-werkveerkeer. Zijn arbeid. Beoordeling door de verzekeringsarts is voldoende zorgvuldig geschied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6702 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 november 2008, 07/3975 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant is, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was tot 1 maart 2006 voltijds werkzaam als cad-tekenaar bij [naam werkgever] in [vestigingsplaats]. Aansluitend aan de beëindiging van zijn dienstverband is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verstrekt. Vanuit deze werkloosheidssituatie heeft appellant zich per 7 september 2006 ziek gemeld in verband met rugklachten. In verband daarmee is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt.

1.3. Op 10 augustus 2007 is appellant door de verzekeringsarts gezien. Deze arts heeft op basis van de spreekuurbevindingen en de informatie van de anesthesioloog R.A.L. Ickx geconcludeerd dat appellant beperkingen heeft voor rugbelastende arbeid maar geschikt is te achten voor het eigen werk als cad-tekenaar. De verzekeringsarts heeft daarbij aangetekend dat ook het woon-werkverkeer voor appellant haalbaar moet zijn, met dien verstande dat hij na 20 minuten rijden even op een parkeerplaats kan stoppen om te recupereren.

1.4. Bij brief van 10 augustus 2007, aan appellant overhandigd op het spreekuur van de verzekeringsarts, is appellant ervan in kennis gesteld dat hij per 13 augustus 2007 geschikt is voor zijn arbeid en geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Als motivering is hiervoor door de verzekeringsarts gegeven dat appellant ondanks zijn klachten en beperkingen geschikt is voor zijn werk als cad-tekenaar, mits het zitten (in die functie) kan worden afgewisseld met lopen en staan en het autorijden beperkt blijft tot 20 minuten maximaal.

1.5. Met een aan appellant verzonden schrijven van 10 augustus 2007 van de verzekeringsarts is hem met verwijzing naar bovenvermelde brief nogmaals meegedeeld dat hij met ingang van 13 augustus 2007 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als cad-tekenaar. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook het woon-werkverkeer (45 minuten) haalbaar moet zijn als appellant na 20 minuten even op een parkeerplaats stopt om te recupereren.

1.6 Appellant heeft bezwaar gemaakt en na een hoorzitting op 11 september 2007, waarbij ook de bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts appellant in staat acht om ongeveer 20 minuten aaneengesloten in de auto te rijden en na recuperatie - uit de auto en even lopen - weer 20 minuten te rijden. Voorts kan appellant met het openbaar vervoer zijn werkplek bereiken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en dat de verzekeringsartsen appellant per de datum in geding terecht in staat hebben geacht zijn eigen werk als cad-tekenaar in [vestigingsplaats] te verrichten, met inachtneming van het woon-werkverkeer, al dan niet met het openbaar vervoer.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangegeven zich te kunnen verenigen met de conclusie dat hij weer geschikt is te achten voor zijn eigen werk. Hij heeft er evenwel een punt van gemaakt dat de verzekeringsarts een wisselend standpunt heeft ingenomen over het woon-werkverkeer zonder daarover uitleg te geven.

3.2. Het Uwv heeft daartegen verweer gevoerd. Aangegeven is dat appellant in hoger beroep de grieven heeft herhaald die eerder bij de rechtbank zijn aangevoerd en dat het Uwv het eigen standpunt bevestigd ziet in de aangevallen uitspraak. Voorts is aangevoerd dat appellant is ziek gemeld vanuit een werkloosheidssituatie en dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad, als vaststaat dat een verzekerde niet meer bij zijn oude werkgever kan terugkeren, de specifiek bij de laatst verrichte arbeid behorende omstandigheden buiten beschouwing blijven. Maatstaf is dan de laatst verrichte arbeid maar dan in dienst van een soortgelijke werkgever. De vraag is of de reisafstand van en naar het werk daarbij moet worden betrokken.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat het op 10 augustus 2007 gedateerde en aan appellant door de verzekeringsarts overhandigde schrijven is aan te merken als het (primaire) besluit tot weigering van ziekengeld ingaande 13 augustus 2007. Hiermee is gegeven dat de tweede brief van 10 augustus 2007 enkel valt aan te merken als een verbeterde motivering van voornoemd besluit.

4.3. De Raad begrijpt dat deze gang van zaken bij appellant verwarring heeft veroorzaakt maar acht appellant door deze gang van zaken niet in zijn processuele belangen geschaad nu hij in de bezwaarfase ruimschoots in de gelegenheid is geweest tijdig zijn bezwaren kenbaar te maken en dit in feite ook heeft gedaan.

4.4. Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak is de Raad met de rechtbank van oordeel dat onder ’zijn arbeid’ de zin van artikel 19 van de ZW gezien de vaste jurisprudentie van de Raad dient te worden aangemerkt de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, te weten het werk als cad-tekenaar bij BoCari.

4.5. De Raad stelt met de rechtbank vast dat de beoordeling door de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geschied. Voorts ziet de Raad geen aanknopingspunten om de conclusie van de verzekeringsartsen, dat appellant per de datum in geding in staat was zijn werk als cad-tekenaar te verrichten, met inbegrip van het woon-werkverkeer, al dan niet met het openbaar vervoer, voor onjuist te houden.

4.6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL