Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-1836 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Alvorens in te gaan op hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht, stelt de Raad vast - en dit is door het Uwv ook ter zitting beaamd - dat pas in hoger beroep alle in de voor appellante geduide functies voorkomende signaleringen alsnog van een afdoende toelichting zijn voorzien. Gelet op ’s-Raads vaste jurisprudentie kan het bestreden besluit reeds hierom niet in stand blijven en dient het te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten dient eveneens te worden vernietigd. De Raad zal thans beoordelen of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische beoordeling. Geen reden aanwezig om te twijfelen aan de duurzaamheid van de benutbare mogelijkheden van appellante noch aan de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen in de FML. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1836 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 februari 2008, 07/1616 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.A.P. van Pul, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam geweest als caissière, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op 6 oktober 2004 ziek gemeld wegens psychische klachten. In het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op

20 juni 2006 onderzocht door de verzekeringsarts M. van Oostrom. In zijn rapport van gelijke datum vermeldde Van Oostrom dat bij appellante sprake is van een emotionele instabiele borderline persoonlijkheid met verslaving in het verleden. Op grond van zijn bevindingen stelde hij de volgende beperkingen vast: beperkt psychisch belastbaar, sterk verminderde conflicthantering, samenwerken is beperkt, appellante dient vooral solitair te werken zonder teveel tijdsdruk en wegens een aangeboren slechthorendheid dient extreem omgevingslawaai vermeden te worden. De beperkingen vermeldde Van Oostrom in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens - na functieduiding - geen verlies aan verdienvermogen vastgesteld. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 4 oktober 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, aangezien zij per die datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts, A.D.C. Huijsmans, het medische onderzoek van appellante herbeoordeeld. Deze arts heeft geconstateerd dat de klachten van appellante die behoren bij een borderline persoonlijkheid door de verzekeringsarts Van Oostrom uitgebreid zijn meegewogen in de FML en dat daarbij de diverse beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangegeven. Appellante is in staat tot het onderhouden van een relatie, sociale contacten, dagelijkse activiteiten en is bezig om zwanger te worden hetgeen impliceert dat zij zich in staat acht tot het opvoeden en verzorgen van een kind en het aanvaarden van gezinstaken en verantwoordelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts is ten slotte tot de conclusie gekomen dat er geen discrepantie bestaat tussen de klachten van appellante en de medisch objectiveerbare feiten zoals weergegeven door de verzekeringsarts en in de bezwaarfase door appellante aangegeven, waardoor er geen aanleiding bestaat om de door de verzekeringsarts opgestelde FML te wijzigen. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige, P. van Kesteren, na eigen onderzoek in zijn rapportage van 9 maart 2007 vastgesteld dat de eerder geduide functies onveranderd van toepassing zijn.

2. Bij besluit van 20 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 oktober 2006 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Alvorens in te gaan op hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht, stelt de Raad vast - en dit is door het Uwv ook ter zitting beaamd - dat pas in hoger beroep alle in de voor appellante geduide functies voorkomende signaleringen alsnog van een afdoende toelichting zijn voorzien. Gelet op ’s-Raads vaste jurisprudentie kan het bestreden besluit reeds hierom niet in stand blijven en dient het te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten dient eveneens te worden vernietigd. De Raad zal thans beoordelen of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische beoordeling. De primaire verzekeringsarts heeft appellante zelf onderzocht en had daarbij de beschikking over een rapportage van het psychologisch onderzoek door J.W. Leedekerken, psycholoog bij De Grift, Gelders centrum voor verslaafdenzorg, van 20 april 2005. Ook had deze arts telefonisch inlichtingen gekregen van de senior maatschappelijk werker van De Grift, F. van den Berg. Na herbeoordeling, waarbij de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van de brief van genoemde maatschappelijk werker van 27 november 2006, is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de duurzaamheid van de benutbare mogelijkheden van appellante noch aan de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen in de FML. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.2. Met betrekking tot appellantes grieven inzake de passendheid van de voor haar geselecteerde functies verwijst de Raad naar de in hoger beroep ingebrachte rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, H.A.M. Eekhoudt van 19 juni 2009. De Raad verenigt zich met de bevindingen en conclusies van deze bezwaararbeidsdeskundige en maakt ze tot de zijne.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit van 20 maart 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR