Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
09-2173 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering, vanwege het bereiken van de maximale uitkeringstermijn. Bezwaar niet-ontvankelijk, omdat bezwaar te laat is ingediend. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant gedurende de hele bezwaartermijn niet in staat is geweest om althans een voorlopig bezwaarschrift in te dienen. Kennelijk is appellant wel in staat geweest binnen de bezwaartermijn aan een beambte van het Uwv telefonisch zijn standpunt kenbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2173 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 april 2009, 08/1100 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M.A. Jegers, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jegers.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 mei 2007 is namens het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aan hem toegekende Ziektewetuitkering met ingang van 17 juni 2007 vanwege het bereiken van de maximale uitkeringstermijn wordt beëindigd.

2. Bij brief van 10 april 2008 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 mei 2007.

3. Bij besluit van 11 juni 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit te laat is ingediend.

4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 6:11 van de Algemene wet bestuurrecht (Awb) was de rechtbank van oordeel dat er geen gronden bestaan om de termijnoverschrijding, welke tussen partijen niet in geschil is, verschoonbaar te achten. Daarbij heeft de rechtbank het standpunt gevolgd van de bezwaarverzekeringsarts, dat er geen aanwijzingen zijn voor het oordeel dat appellant op medische gronden niet in staat is geweest om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Ook het betoog van appellant dat mevrouw Boltong van het Uwv, met wie appellant direct na ontvangst van het besluit van 11 mei 2007 zou hebben gebeld, hem erop had moeten wijzen dat hij schriftelijk bezwaar moest maken, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, nu appellant in ieder geval volgens de rechtbank een gemachtigde had kunnen raadplegen en/of voorlopig bezwaar had kunnen maken.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel.

5.2. Appellants standpunt over de strekking van het met voornoemde beambte van het Uwv gevoerde telefoongesprek wordt niet met enig schriftelijk stuk onderbouwd. Van een stellige mededeling als door appellant wordt beweerd, is dan ook niet gebleken.

Afgezien hiervan heeft het Uwv zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat mededelingen als de onderhavige, zo die al gedaan zouden zijn, niet al te spoedig als bindende uitlatingen mogen worden opgevat, omdat het Uwv zich anders genoopt zou kunnen zien voortaan hun beambten (ten nadele van het publiek) geen of slechts zeer summier inlichtingen te laten geven.

5.3. Met de in hoger beroep overgelegde brief van appellants huisarts van 13 mei 2009 is voor de Raad niet aannemelijk gemaakt dat appellant gedurende de hele bezwaartermijn niet in staat is geweest om althans een voorlopig bezwaarschrift in te dienen. Kennelijk is appellant wel in staat geweest binnen de bezwaartermijn aan voornoemde beambte van het Uwv telefonisch zijn standpunt kenbaar te maken. Dat appellants hoofd er niet naar stond om “voor de zoveelste maal” schriftelijk bezwaar te maken, zoals appellants gemachtigde in een brief van 22 april 2008 aan het Uwv schreef – blijkens het bezwaarschrift van 10 april 2008 waren destijds al zes bezwaarschriften aanhangig en kwam tijdens de hoorzitting van 2 april 2008 nog een zevende besluit, te weten het besluit van 11 mei 2007, ter sprake – is gezien de familiegebeurtenissen wel begrijpelijk, maar kan toch niet worden gezien als een medische verontschuldiging voor het verzuim. De Raad wijst verder nog op het commentaar van 4 juni 2009 van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes, die heeft opgemerkt dat het door de huisarts genoemde posttraumatisch stress-syndroom wel vervelende klachten kent, maar geen onvermogen tot handelen meebrengt.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR