Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-449 WWB + 08-450 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering .Oplegging maatregel, inhoudende een verlaging van haar uitkering met 35% gedurende 1 maand, met de mededeling dat deze maatregel wordt geëffectueerd indien appellante binnen een jaar na bekendmaking van het betreffende besluit opnieuw bijstand zal ontvangen. Het besluit van 18 juni 2007 berust op de grond dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij sinds 27 januari 2007 een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-partner. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende reden had moeten zien. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de lichamelijke en psychische klachten van appellante niet in het bijzonder het gevolg zijn van het door het College genomen terugvorderingbesluit, maar al een aantal jaren bij haar aanwezig zijn. Niet dan wel onvoldoende is aangetoond dat als gevolg van de terugvordering sprake is geweest van een noodsituatie of van een uitzichtloze situatie. Bij dat laatste betrekt de Raad, evenals de rechtbank heeft gedaan, de hoogte van het bedrag van de terugvordering en het gegeven dat, zoals van de zijde van het College ter zitting van de Raad is aangegeven, appellante bij de periodieke aflossing van de schuld aan de gemeente de bescherming heeft gehad van de regels omtrent de beslagvrije voet zoals neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het besluit tot terugvordering is derhalve in overeenstemming met het door het College gevoerde beleid. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten aanzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/449 WWB

08/450 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 december 2007, 07/3548 en 07/4769 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Steenbergen, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Steenbergen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.W.G. van de Molengraaf, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante stond ten tijde van belang samen met haar drie kinderen ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Haar ex-partner heeft tot 25 juli 2007 op dit adres ingeschreven gestaan. Sinds 23 mei 2005 ontving zij bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm van een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding, inhoudende dat appellante mogelijk weer zou samenwonen met haar ex-partner, heeft de Sociale Recherche Bergen op Zoom een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 29 maart 2007, is gebleken dat appellante en haar ex-partner sinds 23 januari 2007 een gezamenlijke huishouding voeren op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt aan de Afdeling sociale zaken van de gemeente Roosendaal.

1.3. Op basis van de bevindingen van voornoemd onderzoek heeft het College bij besluit van 10 mei 2007 het recht op bijstand van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 april 2007. Het College heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 19 juli 2007 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 18 juni 2007 heeft het College het recht op bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 23 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 2.931,91. Bij dit besluit is appellante tevens een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van haar uitkering met 35% gedurende 1 maand, met de mededeling dat deze maatregel wordt geëffectueerd indien appellante binnen een jaar na bekendmaking van het betreffende besluit opnieuw bijstand zal ontvangen. Het besluit van 18 juni 2007 berust op de grond dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij sinds 27 januari 2007 een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-partner. Als gevolg hiervan is haar over genoemde periode ten onrechte bijstand verleend. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 6 november 2007 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank komt besluit 1 voor vernietiging in aanmerking omdat het College in de bezwaarfase het aanvullende bezwaarschrift niet bij de beoordeling heeft betrokken. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank echter bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe is overwogen dat besluit 1 de rechterlijke toetsing kan doorstaan, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat appellante en haar ex-partner een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden, uitsluitend voor zover daarbij het beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard. Daartoe heeft zij - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat besluit 2 vernietigd had moeten worden. Volgens appellante is dat besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen, omdat het College het advies van appellantes behandelaar niet heeft afgewacht. Voorts hadden volgens appellante de bijzondere omstandigheden die zij heeft aangevoerd en die zijn gelegen in haar lichamelijke en psychische gezondheidssituatie, voor het College aanleiding moeten zijn om van terugvordering af te zien. Appellante heeft tevens verzocht om vergoeding van schade op grond van artikel 8:73a (lees: 8:73) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante al geruime tijd te kampen heeft met lichamelijke en psychische problemen en dat zij daarvoor onder behandeling is bij de GGZ en specialistische thuiszorg ontvangt. Vaststaat dat het College ook al langere tijd met deze problematiek bekend is.

4.2. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat uit het zich bij de stukken bevindende afschrift van het e-mail bericht van 29 maart 2007 blijkt dat het College heeft overwogen eerst het oordeel van appellantes behandelaar op te vragen alvorens een beslissing te nemen met betrekking tot haar bijstandsuitkering. Genoemd bericht maakt geen onderdeel uit van het onderhavige besluitvormingstraject, maar bevat een weergave van het gesprek dat appellante op 29 maart 2007 heeft gevoerd met een medewerker van de Afdeling Sociale Zaken. Tijdens dit gesprek zijn plannen voor hernieuwde samenwoning met de ex-partner van appellante aan de orde gekomen. Gelet op het feit dat appellante onder behandeling is van de GGZ, dient de opmerking “in zo’n situatie vind ik het oordeel van de behandelaar belangrijk”, dan ook in het licht van dat gesprek te worden bezien.

4.3. Het College voert blijkens de Beleidsregels terugvordering en verhaal het beleid dat ten onrechte verstrekte bijstand volledig moet worden terugbetaald. Er wordt slechts van terugvordering afgezien indien sprake is van geringe (rest)bedragen of indien sprake is van dringende redenen. Of dat laatste aan de orde is wordt getoetst aan strikt individueel en persoonlijk bepaalde argumenten die zwaarwegend van aard zijn. Het moet gaan om zeer incidentele gevallen waarbij beoordeeld moet worden of de terugvordering ernstige of onaanvaardbare gevolgen zou hebben voor het fysieke en geestelijke welzijn van de belanghebbende.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende reden had moeten zien als in 4.3 bedoeld. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de lichamelijke en psychische klachten van appellante niet in het bijzonder het gevolg zijn van het door het College genomen terugvorderingbesluit, maar al een aantal jaren bij haar aanwezig zijn. Niet dan wel onvoldoende is aangetoond dat als gevolg van de terugvordering sprake is geweest van een noodsituatie of van een uitzichtloze situatie. Bij dat laatste betrekt de Raad, evenals de rechtbank heeft gedaan, de hoogte van het bedrag van de terugvordering en het gegeven dat, zoals van de zijde van het College ter zitting van de Raad is aangegeven, appellante bij de periodieke aflossing van de schuld aan de gemeente de bescherming heeft gehad van de regels omtrent de beslagvrije voet zoals neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het besluit tot terugvordering is derhalve in overeenstemming met het door het College gevoerde beleid. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten aanzien.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking. Gelet daarop is er geen ruimte voor inwilliging van het verzoek van appellante om veroordeling van het College tot schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

mm