Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-5479 WWB + 08-5481 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstandsuitkering in verband met aan appellante betaalde ziekengeld. Terugvordering. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, WWB biedt geen juiste grondslag voor terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006. Gelet op de wekelijkse betalingen van ZW-uitkering over die periode kan immers niet worden gesproken van naderhand over die bijstandsperiode verkregen middelen als bedoeld in voormelde bepaling. Het College is wel bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5479 WWB

08/5481 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 augustus 2008, 07/839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. M. Smit, advocaat te Almelo, zich als gemachtigde van appellanten gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 december 2009, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen van 27 september 2004 tot 16 april 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Nadat het College was gebleken dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in strijd met eerder gemaakte afspraken het aan appellante over de periode van 19 september 2005 tot en met 5 maart 2006 toegekende ziekengeld op grond van de Ziektewet niet aan het College, maar aan appellante zelf had uitgekeerd, heeft het College bij besluit van 5 december 2006 de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB herzien over de periode van 1 september 2005 tot en met 31 maart 2006 en alsnog rekening gehouden met het aan appellante betaalde ziekengeld. Bij het besluit van 5 december 2006 heeft het College tevens met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de aan appellanten over genoemde periode verleende bijstand tot een bedrag van € 6.441,54 (bruto) van appellanten teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 14 juli 2007 heeft het College, zo begrijpt de Raad, de herziening van de bijstand over de periode van 1 september 2005 tot en met 31 maart 2006 herroepen. Voorts heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over de periode van 1 september 2005 tot

16 april 2006 tot een bedrag van € 3.831,-- (netto) van appellanten teruggevorderd. Aan de terugvordering heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante over de periode van 19 september 2005 tot en met 5 maart 2006 ziekengeld heeft ontvangen dat niet in mindering is gebracht op de bijstandsuitkering van appellanten. Het College heeft van brutering afgezien op de grond dat de terugvordering niet het gevolg is van verwijtbaar handelen van de zijde van appellanten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 juli 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College heeft erkend dat de in het besluit vermelde periode van terugvordering niet juist is, dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd is tot terugvordering van bijstand over de periode van 19 september 2005 tot en met 5 maart 2006, dat het College in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken en dat niet is gebleken dat het door het College teruggevorderde bedrag van € 3.831,-- (netto) voor onjuist moet worden gehouden.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 14 juli 2007 in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat het Uwv op 7 februari 2006 een bedrag van € 2.909,93 aan ZW-uitkering over de periode van 19 september 2005 tot en met 8 januari 2006 aan appellante heeft overgemaakt. Vervolgens heeft het Uwv vanaf 14 februari 2006 wekelijks ZW-uitkering aan appellante overgemaakt. Deze wekelijkse betalingen hebben betrekking op de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006.

4.2. Anders dan het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen juiste grondslag biedt voor terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006. Gelet op de wekelijkse betalingen van ZW-uitkering over die periode kan immers niet worden gesproken van naderhand over die bijstandsperiode verkregen middelen als bedoeld in voormelde bepaling.

4.3. De Raad stelt vast dat het over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 aan appellante verleende ziekengeld niet in mindering is gebracht op de bijstandsuitkering van appellanten over die periode. Aangezien bijstand wordt verleend in aanvulling op het inkomen van appellanten betekent het voorgaande dat aan appellanten tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Het College is dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand van appellanten over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 te herzien en alsnog rekening te houden met het aan appellante over die periode verleende ziekengeld. De Raad stelt voorts vast dat herziening van de bijstand over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 in overeenstemming zou zijn met de ter zake van herziening door het College gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van die beleidsregel had moeten afwijken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellanten, reeds gelet op de hoogte van het door appellante ontvangen ziekengeld, redelijkerwijs hadden kunnen begrijpen dat zij over de genoemde periode tot een te hoog bedrag bijstand ontvingen.

4.4. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen vloeit voort dat het College wel bevoegd is om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de als gevolg van de herziening van de bijstand tot een te hoog bedrag verleende bijstand over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 van appellanten terug te vorderen.

4.5. De Raad stelt verder vast dat aan appellanten over de periode van 19 september 2005 tot en met 8 januari 2006 bijstand is verleend en dat aan appellante door het Uwv nadien (op 7 februari 2006) over die zelfde periode nog een nabetaling van ziekengeld is gedaan. Aangezien het bedrag van die nabetaling minder was dan de aan appellanten over

diezelfde periode verleende bijstand, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste van de WWB de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 september 2005 tot en met 8 januari 2006 tot het bedrag van die nabetaling van appellanten terug te vorderen.

4.6. De Raad stelt vast dat het gebruik maken van de hiervoor onder 4.4 en 4.5 genoemde bevoegdheden tot terugvordering in overeenstemming zou zijn met de ter zake van terugvordering door het College gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van die beleidsregel had moeten afwijken. Met het door het College teruggevorderde bedrag ter hoogte van € 3.831,-- zijn appellanten zeker niet te kort gedaan.

4.7. Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2007 in stand blijven, en wel voor zover dit rechtsgevolg de herroeping van de herziening van de bijstand over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 betreft. De aangevallen uitspraak komt voor het overige, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

5. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen ruimte voor de door appellanten verzochte veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

6. De Raad ziet wel aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2007 in stand blijven voor zover dit rechtsgevolg de herroeping van de herziening van de bijstand over de periode van 9 januari 2006 tot en met 5 maart 2006 betreft;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.