Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-5367 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Hersteld verklaard voor zijn werk als medewerker plantenkwekerij. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Bij de (bezwaar)verzekeringsarts bestond een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden van het laatst verrichte werk van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5367 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 augustus 2008, 08/749 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H.M. van den Broek, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van den Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. van Lieshout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker plantenkwekerij toen hij zich op 20 november 2006 voor dit werk heeft ziek gemeld wegens rug-, been- en nekklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Tijdens het laatste spreekuur van de verzekeringsarts F.X.H.M. Op de Coul van 16 januari 2008 heeft deze arts hem per 21 januari 2008 hersteld verklaard voor zijn werk als medewerker plantenkwekerij. Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 21 januari 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 16 januari 2008 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes, bij besluit van 5 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv, bij gebreke van een duidelijke omschrijving van de werkzaamheden van de functie medewerker plantenkwekerij, niet goed heeft kunnen beoordelen of de belasting in deze functie de beperkingen van appellant overschrijdt. Tevens heeft appellant aangegeven dat de rugklachten door een neuroloog zijn vastgesteld, waarbij ter onderbouwing een brief van de neuroloog J. de Jonge van 15 juli 2008 is overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de beperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat. Daarbij overweegt de Raad allereerst dat appellant – zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende gedingstukken – heeft aangegeven dat in de functie van medewerker plantenkwekerij voor 38 uur per week sprake is van alle voorkomende werkzaamheden, waaronder planten water geven, vrachtwagen laden en lossen, schoonmaakwerkzaamheden en inplanten. Hierbij moet worden gestaan, gelopen, gebukt en getild, aldus appellant. Nu uit de medische kaart blijkt dat de verzekeringsarts op de hoogte was van deze werkzaamheden, vermag de Raad niet in te zien dat er bij de (bezwaar)verzekeringsarts geen voldoende duidelijk beeld bestond van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden van het laatst verrichte werk van appellant.

4.3. De verzekeringsarts Op de Coul heeft appellant op het spreekuur van 16 januari 2008 onderzocht en heeft bij de beoordeling de informatie van de neuroloog De Jonge van 29 mei 2007, waaruit blijkt dat sprake is van een nauw kanaal L4-L5 met discopathie, meegewogen. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat sprake is van normale kracht en dat de wortelprikkelingstesten geen afwijkingen vertoonden. Op grond van deze bevindingen heeft Op de Coul geconcludeerd dat geen sprake is van een radiculair syndroom en dat de klachten dan ook dienen te worden beschouwd als atypisch. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes dossierstudie verricht en appellant op het spreekuur van 4 februari 2008 lichamelijk en psychisch onderzocht.

Van Erk-Raes is – nu de klachten in bezwaar overeenkomen met de klachten die bij de verzekeringsarts bekend waren – tot de conclusie gekomen dat de bevindingen van de verzekeringsarts kunnen worden onderschreven. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts

Van Erk-Raes in haar rapportage van 21 januari 2008 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de belastbaarheid van appellant door de verzekeringsarts juist is vastgesteld. De overgelegde informatie van de neuroloog De Jong van 15 juli 2008 kan, mede gelet op de bovengenoemde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, niet tot een ander oordeel leiden, nu deze geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat de neuroloog refereert aan het laatste onderzoek op 7 februari 2007 waarbij de uitslag van de MRI is besproken. Deze gegevens komen overeen met de hierboven aangehaalde informatie van de neuroloog van 29 mei 2007.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 21 januari 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR