Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-2803 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking recht op bijstand, op de grond dat appellant bij de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) niet staat ingeschreven op het door hem opgegeven adres. In dit besluit is voorts vermeld dat, indien appellant zich niet binnen drie weken met deze brief bij de klantmanager meldt, de uitkering wordt ingetrokken. Appellant heeft op 12 november 2006 telefonisch gereageerd en medegedeeld dat hij zich niet inschrijft. Daarop is hem medegedeeld dat hij zich voor 13 november 2006 dient in te schrijven, omdat anders de uitkering wordt beëindigd. Appellant heeft tegen het besluit op het bezwaar tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het besluit van 4 mei 2007 niet ging, en ook niet hoefde te gaan, over de weigering aan appellant een daklozenuitkering te verstrekken, heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt genomen dat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 20 oktober 2006 op grond van artikel 40, zesde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Appellant heeft erkend dat hij zich niet alsnog binnen de door het College gestelde termijn bij de GBA heeft laten inschrijven op het adres van zijn moeder. Appellant heeft aangevoerd dat hij toestemming van de wethouder had verkregen om zich niet bij de GBA in te schrijven. Reeds omdat appellant deze toestemming niet aannemelijk heeft gemaakt, gaat de Raad hier verder aan voorbij.

Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 40, zesde lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant met ingang van 20 oktober 2006 in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2803 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2008, 07/1674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kuit. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinc, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert oktober 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In verband met een huurschuld is de woning van appellant in mei 2005 ontruimd. Bij een huisbezoek in juli 2005 is geconstateerd dat appellant woonachtig is op het door hem opgegeven adres bij zijn moeder.

1.2. Bij brief van 6 oktober 2006 is appellant medegedeeld dat uit informatie van de afdeling burgerzaken is gebleken dat hij niet staat ingeschreven in het bevolkingsregister op het door hem opgegeven adres. Aan hem is verzocht dit binnen twee weken alsnog te doen, waaraan is toegevoegd dat anders de bijstand kan worden opgeschort of beëindigd.

1.3. Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft het College het recht op bijstand van appellant met toepassing van artikel 40, vierde lid, van de WWB opgeschort met ingang van 20 oktober 2006, op de grond dat appellant bij de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) niet staat ingeschreven op het door hem opgegeven adres. In dit besluit is voorts vermeld dat, indien appellant zich niet binnen drie weken met deze brief bij de klantmanager meldt, de uitkering wordt ingetrokken. Appellant heeft op 12 november 2006 telefonisch gereageerd en medegedeeld dat hij zich niet inschrijft. Daarop is hem medegedeeld dat hij zich voor 13 november 2006 dient in te schrijven, omdat anders de uitkering wordt beëindigd.

1.4. Bij besluit van 17 januari 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 17 januari 2007 is geen rechtsmiddel aangewend.

1.5. Intussen had het College bij besluit van 20 november 2006, aan appellant bekend gemaakt bij brief van 3 januari 2007, de bijstand van appellant met ingang van 20 oktober 2006 ingetrokken. Bij besluit van 4 april (lees: mei) 2007 heeft het College het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het recht op overheidsprestaties samenhangt met de koppeling van een juiste inschrijving in de GBA, dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid de adresgegevens in de GBA in overeenstemming te brengen met het werkelijke woonadres en dat er geen aanleiding is op grond van artikel 40, vierde lid, van de WWB een uitzondering te maken op de opschortingsplicht.

1.6. Appellant heeft zich in april 2007 laten inschrijven bij de GBA op het adres van zijn moeder; daarna is hem met ingang van medio april 2007 bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 20 oktober 2006 berust op de toepassing van artikel 40, zesde lid, van de WWB in samenhang met het derde lid van dit artikel. Voor de tekst van deze bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Appellant heeft tegen het besluit op het bezwaar tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het besluit van 4 mei 2007 niet ging, en ook niet hoefde te gaan, over de weigering aan appellant een daklozenuitkering te verstrekken, heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt genomen dat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 20 oktober 2006 op grond van artikel 40, zesde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.3. Appellant heeft erkend dat hij zich niet alsnog binnen de door het College gestelde termijn bij de GBA heeft laten inschrijven op het adres van zijn moeder. Appellant heeft aangevoerd dat hij toestemming van de wethouder had verkregen om zich niet bij de GBA in te schrijven. Reeds omdat appellant deze toestemming niet aannemelijk heeft gemaakt, gaat de Raad hier verder aan voorbij.

4.4. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 40, zesde lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant met ingang van 20 oktober 2006 in te trekken.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

mm