Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-2664 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Zijn arbeid. De voorgehouden functies in het kader van de eerdere WAO-beoordeling zijn nog onveranderd passend te achten. Nu in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2664 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2008, 07/3592 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. van Lieshout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 23 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2005 – waarbij het Uwv appellant heeft meegedeeld dat hij vanaf 6 december 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld – ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat met name de psychische klachten niet voldoende door het Uwv zijn onderkend. Ter onderbouwing is verwezen naar een rapportage van de HSK-groep van 5 december 2006, waaruit blijkt dat sprake is van een chronische depressieve stoornis.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie heeft in zijn rapportage van 16 januari 2007 gesteld dat de degeneratieve versmalling op niveau L4-L5 al in 2003 door de behandelend neuroloog is vastgesteld en dat appellant in het kader van de eerdere WAO-beoordeling al fors beperkt wordt geacht voor rugbelastende arbeid op basis van een HNP (hernia). Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Debie, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 april 2007 (06/4637), appellant op het spreekuur van 25 september 2007 lichamelijk en psychisch onderzocht. Bij de beoordeling heeft Debie de informatie van de HSK-groep van 5 december 2006 en van de orthopedisch chirurg M.M.W.E. Drees van 8 maart 2007 – waaruit blijkt dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor een radiculair beeld – meegewogen. Van zijn bevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts op 16 oktober 2007 uitgebreid gerapporteerd en is tot de conclusie gekomen dat er geen wezenlijke verschillen bestaan ten opzichte van zijn onderzoek van 29 april 2004 in het kader van de eerdere WAO-beoordeling. Daarbij heeft Debie aangetekend dat uit lichamelijk onderzoek blijkt dat de mobiliteit in het algemeen zelfs lijkt te zijn verbeterd en dat bij het onderzoek van de psyche geen evidente tekenen zijn gevonden van ernstige psychopathologie. De voorgehouden functies in het kader van de eerdere WAO-beoordeling zijn per 6 december 2005 nog onveranderd passend te achten voor appellant, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Nu in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van de rapportage van de HSK-groep is de Raad – mede gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juli 2008 – van oordeel dat ook daarin geen aanknopingspunten zijn te vinden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Daarbij tekent de Raad nog aan dat het door de psycholoog B.J. de Weerd en psychiater I. Stessel op 10 en 29 november 2006 uitgevoerde onderzoek ziet op een datum na de datum hier in geding, te weten 6 december 2005. De Raad kan daaraan derhalve niet die betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien. Gelet op het vorenstaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 6 december 2005 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dan ook dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

EF