Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
08-5447 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld, omdat betrokkene niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar eigen werk. Op basis van de voorhanden gegevens is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en inzichtelijk is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5447 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 augustus 2008, 08/2089 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Apistola, advocaat te Zwijndrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Apistola. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die werkzaam was als callcentermedewerker, heeft zich op 14 juli 2007 ziek gemeld vanwege rugklachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Na haar ziekmelding is appellante op 19 december 2007 gezien op het spreekuur van de bedrijfsarts R.P. van Straaten, die na eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat appellante per 20 december 2007 volledig geschikt was voor het eigen werk bij de eigen werkgever. Bij besluit van 19 december 2007 heeft het Uwv vervolgens aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 20 december 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar eigen werk. Bij besluit van 11 februari 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 december 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 6 februari 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en voorts dat daaruit voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. Op grond van de door appellante in beroep overgelegde rapportage van een radiodiagnostisch onderzoek van 26 juni 2008 heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat hierin uitsluitsel wordt gegeven over de aard van de beperkingen van appellante, terwijl deze gegevens evenmin een afdoende verklaring bieden voor de klachten van appellante. Het Uwv heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellante met ingang van 20 december 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

3. In hoger beroep zijn namens appellante de gronden herhaald, die zij reeds eerder in beroep heeft aangevoerd. Voorts is gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar grief dat niet is gehandeld overeenkomstig de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC). Appellante stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de bezwaarverzekeringsarts geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector en dat een onderzoek door een arbeidsdeskundige had moeten plaatsvinden naar de aard van haar functie en de functiebelasting.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in hoofdzaak een herhaling van de gronden die zij reeds in beroep heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Keus van 6 februari 2008, die bij zijn herbeoordeling tevens de door appellante overgelegde informatie van haar fysiotherapeut en podotherapeut, alsmede het medisch journaal van de huisarts heeft betrokken. Uit die gegevens blijkt dat nimmer aanvullend onderzoek aan de rug is verricht en zeker geen onderzoek dat discuspathologie (zoals prolaps of herniatie) kan objectiveren en dat die diagnose niet door een arts is gesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft dan ook vastgesteld dat geen functiestoornissen aan de rug zijn gevonden en dat geen sprake is van een consistent beeld, zodat de claim van appellante niet plausibel is. Op basis van de voorhanden gegevens is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen sprake is van objectiveerbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, zodat zij terecht geschikt is geacht voor haar arbeid.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad dat ook een beroep op de toepassing van de MAOC-richtlijn haar niet kan baten. Zoals onder 4.1. is overwogen, volgt de Raad de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante, ondanks de door haar ervaren pijnklachten, op en na 20 december 2007 in staat moet worden geacht haar werkzaamheden als callcentermedewerker te verrichten. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen niet is gebleken dat er een verschil van inzicht bestaat omtrent de invulling van haar werkzaamheden, terwijl door appellante evenmin een werkomschrijving in geding is gebracht waaruit zou moeten blijken dat zij niet geschikt is voor haar arbeid. Gelet op de gedingstukken en op hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 20 december 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dan ook dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

EK