Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL0029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
09-2088 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat, gelet op de door hem aangevoerde medische gronden, er geen reden is om op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voor het indienen van een bezwaarschrift aan te nemen. Onvoldoende aanknopingspunten om de stelling van appellant, dat hij om medische redenen buiten staat was zijn belangen te kunnen behartigen, te honoreren. Daartoe heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat een voldoende medische basis ontbreekt voor het aannemen van een ‘medisch buiten staat zijn’, maar dat appellant bovendien in het kader van zijn WW-aanvraag heeft aangegeven dat hij eerst met zijn advocaat zou afstemmen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat appellant -al dan niet met (juridische) hulp- in staat was zijn belangen te behartigen. Dat betekent dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank het beroep van appellant eveneens terecht ongegrond heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/38

Uitspraak

09/2088 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 april 2009, 08/3366 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.M. Adriaansen, kantoorgenoot van mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.

II OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 13 mei 2007 een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Omdat daarbij geen compleet re-integratieverslag is overgelegd, waaruit blijkt dat de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan, heeft het Uwv bij besluit van 31 mei 2007 de periode van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever van appellant verlengd met 52 weken. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het Uwv daarom de behandeling van de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet WIA opgeschort.

1.2. Bij brief van 17 december 2007 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het besluit van dezelfde datum, inhoudende dat de werkgever zijn tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen heeft hersteld en dat de aan zijn werkgever opgelegde loondoorbetalingsverplichting per 7 september 2007 wordt beëindigd.

1.3. Bij besluit van 17 december 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per 7 september 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat hij per laatstgenoemde datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4. Tegen beide besluiten van 17 december 2007 is namens appellant bij brieven van 13 februari 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend. In de door appellant aangevoerde medische gronden heeft het Uwv, onder verwijzing naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts mr. drs. E.J.M. van Paridon van 13 juni 2008, geen aanleiding gezien de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de bezwaarschriften op 13 februari 2008 en daarmee buiten de wettelijke termijn voor indiening door het Uwv zijn ontvangen. In de door gemachtigde van appellant aangevoerde reden dat de geestelijke toestand van appellant het voor hem onmogelijk zou hebben gemaakt tijdig bezwaar in te dienen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege had dienen te laten. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant bij de aanvraag om een WIA-uitkering hulp heeft gevraagd en gekregen van het Maatschappelijk Werk en dat appellant, zo blijkt uit het verslag van de arbeidsdeskundige van 13 december 2008, betreffende een aanvraag om een WW-uitkering contact heeft gezocht met een advocaat, terwijl ook de echtgenote van appellant om juridische hulp had kunnen vragen. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat haar op basis van de stukken niet is gebleken dat appellant niet in staat is geweest tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij in de periode waarin de termijn voor het indienen van het bezwaar is verstreken, zowel geestelijk als lichamelijk zwaar is getroffen en dat hij niet was opgewassen tegen de verplichtingen die op zijn weg kwamen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de door hem in bezwaar overgelegde verklaring van zijn psychotherapeut. Voorts heeft appellant betoogd dat de door de rechtbank genoemde redenen op basis van de feitelijke gang van zaken niet kunnen worden onderschreven.

4. De Raad, oordelend over hetgeen namens appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat, gelet op de door hem aangevoerde medische gronden, er geen reden is om op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voor het indienen van een bezwaarschrift aan te nemen.

4.2. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend en hij onderschrijft de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat met een verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon van 13 juni 2008 waarin hij, na kennisneming van de door appellant ingebrachte verklaring van zijn psychotherapeut M. Can, heeft aangegeven dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de stelling van appellant, dat hij om medische redenen buiten staat was zijn belangen te kunnen behartigen, te honoreren. Daartoe heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat een voldoende medische basis ontbreekt voor het aannemen van een ‘medisch buiten staat zijn’, maar dat appellant bovendien in het kader van zijn WW-aanvraag heeft aangegeven dat hij eerst met zijn advocaat zou afstemmen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat appellant -al dan niet met (juridische) hulp- in staat was zijn belangen te behartigen. Of appellant zich daarna wel of niet tot een gemachtigde heeft gewend, kan aan die beoordeling niet afdoen. Daarnaast heeft appellant ter zitting desgevraagd verklaard dat hij met de ontvangen besluiten naar een landgenoot is gegaan om hulp te vragen. Bovendien had appellant al langere tijd en – zoals ter zitting door hem bevestigd ook in de periode dat de bezwaartermijn nog liep – ondersteuning van het Maatschappelijk Werk, van welke zijde mede administratieve hulp werd geboden. Evenals de rechtbank ziet de Raad daarmee genoegzaam onderbouwd dat er geen medische redenen zijn om op grond daarvan de te late indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad evenmin aanleiding om tot het oordeel te komen dat hij buiten staat was tijdig bezwaar in te dienen. Dat betekent dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank het beroep van appellant eveneens terecht ongegrond heeft verklaard.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

EK