Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
08-3108 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand terecht buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellant niet tijdig de ontbrekende bankafschriften niet binnen de genoemde hersteltermijn heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad moet appellant redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de gevraagde bankafschriften te beschikken en deze tijdig te over leggen. De hersteltermijn van een week acht de Raad daarvoor niet te kort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3108 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 april 2008, 07/468 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 december 2009, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 16 november 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij brief van 7 december 2006 heeft het College appellant verzocht binnen één week na de verzenddatum van die brief ontbrekende gegevens, waaronder ontbrekende bankafschriften, te overleggen. Bij besluit van 28 december 2006 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellant niet uiterlijk 14 december 2006 de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.

1.2. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Het College heeft dan ook terecht verzocht om alle bankafschriften van de op naam van appellant staande rekeningen van de afgelopen drie maanden.

4.3. De Raad stelt evenals de rechtbank vast dat appellant drie bankafschriften niet binnen de in de brief van 7 december 2006 genoemde hersteltermijn heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad moet appellant ten tijde in geding redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de gevraagde bankafschriften te beschikken en deze tijdig over te leggen. De hersteltermijn van een week acht de Raad daarvoor niet te kort. Overigens heeft appellant ter zitting van de rechtbank verklaard thuis daadwerkelijk over de originele bankafschriften te beschikken. Mocht dit anders zijn geweest, dan had het op de weg van appellant gelegen om binnen de gegeven hersteltermijn het College hiervan op de hoogte te stellen en al dan niet bij monde van Humanitas en/of de Turkse Ombudsman, bij wie appellant te rade was gegaan, om verlenging van de termijn te verzoeken. Dat appellant, zoals hij stelt, binnen de gestelde termijn zou hebben verzocht om een gesprek blijkt niet uit de voorhanden stukken.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag voor bijstand van 16 november 2006 buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen

maken.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.6. Nu de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, is er geen ruimte voor de door appellant in hoger beroep verzochte schadevergoeding, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

mm